Parijs, nu

“We gaan met de Thalys”, zeg ik tegen mijn dochter en omdat ik dat zeg doen we dat dus. Nee, zo gaat dat niet, we bespreken het! Ik heb niks tegen ‘tegenwoordig’, maar er moet wel erg veel besproken worden.

Met dezelfde opwinding

In de trein vertel ik haar hoe ik liftend ver voor haar geboorte naar Parijs ging. Dat we aankwamen bij de Hallen die nu niet meer bestaan. En dat we 45 gulden hadden, terwijl ik nu met een creditcard op reis ben. Niet meer met een rugzak, maar met een koffer op wieltjes. Maar met dezelfde opwinding op weg te zijn naar Parijs. Van het Gare du Nord lopen we naar het eerste het beste restaurant en bestellen deux café au lait. De meneer die ons bedient, eens aangeroepen met garcon, is uiterst vriendelijk en staat ons in het Engels te woord. Vervolgens met de metro naar de Bastille en vandaar weer lopen naar ons Airbnb. Geen camping, geen hotel, maar modern in tijdelijk gehuurde kamers.

Verlangen om te lopen

Ik denk aan mijn eerste keer in Parijs, ruim 60 jaar geleden. Daarna ontelbare malen teruggekeerd, maar nog steeds dat verlangen te lopen. “Als we hier rechts af slaan dan komen we…”, maar mijn dochter vertrouwt me niet en spreekt een agent aan. In mijn oren in verbazend goed Frans, maar ook de agent antwoordt in het Engels. Mijn verbazing over Parijs door de jaren heen kent geen grenzen als we het Louvre naderen en rijen zien die me doen denken aan de rijen voor en wedstrijd tussen Ajax en Feyenoord. Na ruim een uur wachten mogen we naar binnen, maar van op je gemak naar kunst kijken komt weinig. Een suppoost vertelt me dat er op hoogtijdagen 40.000 mensen binnen komen en dit is zo’n hoogtijdag. Stond ik eens voor de Mona Lisa met een Duits echtpaar en een Spaans stel, nu sta ik op 30 meter afstand en zie ik slechts van die camera’s op een stok. De gerieflijke bank waarvandaan ik toen naar de kroning van en door Napoleon zat te kijken is verdwenen. Zelfs van rust in de afdeling Klassieke Oudheid is geen sprake. Ouders slepen kleine kinderen achter zich aan, wie weet in de hoop de drempel voor welk museum dan ook bij hun kind voorgoed te hebben weggenomen.

Hoogbouw verboden

Place de l’Etoile is omgedoopt in Place Charles De Gaulle en oversteken richting de Arc de Triomphe zou zelfmoord betekenen. We hebben slechts een seconde nodig om vast te stellen dat het hoogst onverstandig zou zijn ons tussen de duizenden op de Champs-Élyséés te begeven. Mijn dochter heeft de wens uitgesproken in elk geval Saint-Sulpice te bezoeken, maar ook daar staat een dermate lange rij dat we doorlopen. Wandelend langs de Seine vinden we rust en prijzen we de burgemeester die eens besloten heeft dat hoogbouw in Parijs niet is toegestaan. In de verte verrijst de hoogbouw van La Defense als een waarschuwing het hart van de stad niet aan te raken.

Voor eeuwig een stad om lief te hebben

George Brassens is overleden en de meeste van zijn collega’s ook en met hun overlijden lijkt ook Montmartre de moed te hebben opgegeven. Flaneren is vanwege de fotograferende duizenden onmogelijk, portrettekenaars smeken om klanten en de schilders schilderen nog exact dezelfde zoetelijke flauwekul als toen ik hier voor het eerst ongestoord om me heen liep te kijken. Dat Parijs wel degelijk met de tijd meegaat blijkt als we stuiten op een klein huisje waarop ‘Les services de Lulu’ staat geschreven. Ouderen kunnen zich hier melden om hulp te krijgen. Kleine reparaties, bezoek, je huisdier uitlaten of je planten verzorgen, voor een gering bedrag wordt hier hulp geboden. Hoewel ouder geworden en arm in arm met mijn dochter kruipt die eeuwig jonge stad weer in me. Dit was, is en zal eeuwig blijven een stad om lief te hebben. Om, ondanks de tienduizenden die de stad bezoeken, in de kleine straatjes, zoals vandaag achter de Sacré Coeur, de eenzaamheid te vinden die bij een wereldstad hoort als Edith Piaf bij het chanson. Een ijdele stad die nog altijd bewondering eist en niet vraagt. En van de veel gehoorde klacht dat de Parijzenaar arrogant is heb ik wederom niets gemerkt.

Lees ook Dolfs column Parijs, toen.

Geef een reactie