125 jaar sociale zekerheid: hoe het vangnet is ontstaan dat u beschermt wanneer u werkloos, ziek of te oud bent om te werken
Publicatiedatum: 29 maart 2026
Werkloos, ziek of te oud om te werken? Vaak is er een uitkering die u ondersteunt. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar dat is het niet. In 2026 viert de sociale zekerheid haar 125‑jarig jubileum. Dat is een mooi moment om terug te kijken: wat is er in die tijd allemaal gebeurd? Samen met Robert Vonk, hoogleraar Geschiedenis van de Sociale Zekerheid aan de Universiteit Utrecht, gaan we ’terug naar toen’.
Omstreeks 1900 is het werken tot iemand erbij neervalt
Het is omstreeks 1900, als de wereld er op het gebied van sociale zekerheid heel anders uitziet dan ruim een eeuw later. Van overheidssteun is nauwelijks sprake. Wie ziek wordt of een ongeluk krijgt, verliest vaak direct zijn inkomen. Mensen maken lange, zware werkdagen en staan er in zulke situaties vaak voornamelijk alleen voor.
“Arbeiders in Nederland werken rond 1900 meestal 6 dagen per week, vaak 10 tot 12 uur per dag. Dat komt neer op zo’n 60 tot 72 uur per week, maar ook 75‑urige werkweken zijn geen uitzondering. Zondag is vaak de enige rustdag en zelfs die is niet altijd helemaal vrij”, aldus hoogleraar Vonk.
Veel arbeiders werken in fabrieken, havens en mijnen. Het werk is vaak zwaar en gevaarlijk. Een ongeluk kan grote gevolgen hebben: soms valt een heel gezin zonder inkomen. Hulp komt vooral van familie, kerken of kleine liefdadigheidsorganisaties (ook in die volgorde) en dat is vaak niet genoeg.
“Gemeentelijke armenzorg is in deze tijd vooral bedoeld voor mensen die niet kunnen terugvallen op familie of kerkelijke hulp. Het gaat om minimale ondersteuning, waarbij soms ook om een tegenprestatie wordt gevraagd, zoals verplichte tewerkstelling. Denk bijvoorbeeld aan de aanleg van het Amsterdamse bos. Bovendien verschilt de hulp sterk per gemeente: een rijke gemeente kan meer bieden dan een arme.”

De eerste stappen richting sociale zekerheid
Aan het begin van de 20e eeuw groeit het besef dat er iets moet veranderen. Werkgevers, vakbonden en de overheid gaan met elkaar praten. Dat resulteert in 1901 in een belangrijke wet: de Ongevallenwet. Deze geeft arbeiders in gevaarlijke beroepen recht op een uitkering (zogenoemd ongevallengeld), als ze door een ongeluk niet meer kunnen werken.
Om deze wet uit te voeren wordt de Rijksverzekeringsbank opgericht. Deze organisatie is de voorloper van de huidige Sociale Verzekeringsbank (SVB). Na de invoering van de Ongevallenwet volgen andere sociale verzekeringswetten, zoals de Invaliditeits- en Ouderdomswet (1913) en de Ziektewet (1913). En met de Arbeidswet (1919) wordt ook de werkdag wettelijk teruggebracht tot gemiddeld 8 uur en de werkweek tot 45 uur.
Steeds meer zekerheid voor iedereen
Stap voor stap komen er meer regelingen. Het doel is duidelijk: mensen beschermen tegen armoede als er iets misgaat in het leven. Een greep uit de voorzieningen die halverwege de 20e eeuw ontstaan en die we vandaag de dag nog kennen:
- 1941: de Kinderbijslag: een bijdrage in de kosten voor de verzorging van kinderen tot 18 jaar.
- 1957: de Algemene Ouderdomswet (AOW): voor iedereen die de AOW‑leeftijd bereikt en in Nederland heeft gewoond of gewerkt.
- 1959: de Algemene Weduwen- en Wezenwet, later vervangen door de Algemene nabestaandenwet (Anw): voor nabestaanden die hun partner verliezen.
Door al deze regelingen groeit langzaam de verzorgingsstaat: een stelsel dat niet alleen bedoeld is voor mensen die financieel in de knel zitten, maar dat álle Nederlanders beschermt tegen levensgebeurtenissen die u niet altijd alleen kunt opvangen.
Hoe breed die ondersteuning inmiddels is, blijkt uit cijfers van de SVB. In 2026 ontvangen meer dan 3,5 miljoen mensen AOW. Bijna 21.000 mensen krijgen een Anw‑uitkering en bijna 2 miljoen ouders ontvangen kinderbijslag voor in totaal zo’n 3,5 miljoen kinderen.
Wat de geschiedenis ons leert
Hoewel de sociale zekerheid misschien soms vanzelfsprekend lijkt, is het systeem het resultaat van lange discussies en een samenwerking tussen werkgevers, werknemers en de overheid. Het is stap voor stap opgebouwd en dus niet zomaar ineens ontstaan.
“We geven in Nederland veel geld uit aan sociale zekerheid en we krijgen er ontzettend veel voor terug: een redelijke dekking van risico’s die ons allemaal kunnen overkomen, maar die u als individu bijna nooit zelf kunt dragen: ouderdom, ziekte, handicap, werkloosheid”, aldus expert Vonk.
“Daarnaast zegt de geschiedenis van sociale zekerheid veel over hoe we denken over grote maatschappelijke vragen: wie hoort erbij in onze samenleving en wie niet? Als voorbeeld: vrouwen, kinderen, migranten en zelfstandigen hadden en hebben niet altijd vanzelfsprekend toegang tot sociale zekerheid.”
Ook begint een nieuw beleid bijna nooit helemaal opnieuw. Het sluit meestal aan op regels en afspraken die al bestaan. In de politicologie noemen ze dat een beleidserfenis. Met andere woorden: wat we vroeger hebben opgebouwd, vormt de basis voor wat er in de toekomst mogelijk is.

Meer weten over sociale zekerheid?
Wilt u meer weten over dit onderwerp, dan zijn er verschillende plekken waar u zich verder in het onderwerp kunt verdiepen. Er is (nog) geen museum dat helemaal over sociale zekerheid gaat, maar sommige musea besteden wél aandacht aan armoede, solidariteit en de geschiedenis van hulp aan mensen.
In Museum De Proefkolonie in Frederiksoord ontdekt u bijvoorbeeld meer over de oorsprong van de verzorgingsstaat. Met een Museumkaart kunt u hier gratis naar binnen. Ook digitaal is er veel te vinden, zoals de online tentoonstelling Uit Armoede van het Stedelijk Museum Schiedam (voor iedereen gratis). Verder kunt u terecht op de website 125 jaar sociale zekerheid, voor verschillende activiteiten en achtergrondverhalen.
(Bron: Prof. Robert Vonk, hoogleraar Geschiedenis van de Sociale Zekerheid aan Universiteit Utrecht, SVB, Amsterdam Stadsarchief, rijksoverheid. Foto’s: SVB)



