Vrouwenstemrecht in 1922

Omroep: MAX

Duur: 0:03:36

Uitzending: zo 1 jan 1922 01:04

0:03:36

Vrouwenstemrecht in 1922

0:01:42

Eerste verkiezingen na de oorlog

0:03:25

Verkiezingen 1956

0:03:01

Verkiezingen 1959

Meer dan 150 jaar Tweede Kamerverkiezingen, deel I

Op 15 maart 2017 gaan we sinds de grondwetswijziging van 1848 voor de 38ste keer naar de stembus voor de nieuwe samenstelling van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Is het kiezen van een nieuw parlement in die tijd een aangelegenheid van mannen met geld en bezittingen, tegenwoordig is het aan iedere Nederlander de keuze om te kiezen. Een greep uit de geschiedenis van meer dan anderhalve eeuw verkiezingen.

In 1815 wordt in Nederland het tweekamerstelsel ingevoerd (de Staten-Generaal). De koning benoemt de leden van de Eerste Kamer, terwijl de Provinciale Staten de leden van de Tweede Kamer kiezen.

Thorbecke

Dit verandert als in 1848 de Grondwet wordt gewijzigd, de Grondwet die nog steeds de basis vormt van de Nederlandse parlementaire democratie. Een belangrijke wijziging van de liberaal Thorbecke is de invoering van de ministeriële verantwoordelijkheid waardoor niet de koning maar de ministers verantwoordelijk zijn voor het beleid. Een andere wijziging in die Grondwet behelst de invoering van rechtstreekse verkiezingen van de Tweede Kamer op basis van het censuskiesrecht.

Het censuskiesrecht  geeft iedere man het recht om een stem uit te brengen tijdens de Tweede Kamerverkiezingen, zolang hij een minimum aan vermogen bezit om belasting te betalen. De kieswet bepaalt welke mannen maatschappelijke welstand bezitten en tekenen van geschiktheid vertonen. Zo mogen ook gestudeerde mannen en zij die een woning bezitten hun stem uitbrengen.

De minimale afdracht aan belasting om te mogen stemmen is 20 gulden. In een stad als Amsterdam is dat bedrag vele malen hoger, waardoor maar een klein deel van de inwoners mag stemmen. Het censuskiesrecht bevordert dus een politiek ten gunste van de gegoede burgerij  terwijl de wensen van de arbeiders door een minimum aan belastingafdracht niet of nauwelijks politiek aandacht krijgen.

Het is al in 1892 als de liberale minister Tak van Poortvliet van Binnenlandse Zaken een uitbreiding van het kiesrecht voorstelt. Hij wil dat iedere volwassen man die kan lezen en schrijven het recht krijgt om te stemmen. De verkiezingen van 1894 draaien geheel om dit voorstel. Tegenstanders winnen de verkiezingen echter en het voorstel is van tafel.

Uitbreiding kiesrecht

De nieuwe minister van Binnenlandse Zaken Sam van Houten wil de voorwaarden van het censuskiesrecht verruimen, waardoor de meeste mannen stemrecht krijgen. Alleen zij die leven van de steun mogen niet stemmen. Het voorstel haalt het. Door die verruiming komen er na de verkiezingen van 1897 voor het eerst sociaaldemocraten in de Tweede Kamer. Het duurt tot 1918 voordat alle mannen, ongeacht welstand of opleiding, hun stemrecht mogen verzilveren. Vrouwen moeten zelfs wachten tot de verkiezingen van 1922.

Vanaf 1850 is iedere man van 23 jaar die voldoet aan de eisen van het censuskiesrecht stemgerechtigd. In 1896 wordt de minimumleeftijd verhoogd naar 25 jaar om vlak voor de verkiezingen van 1946 weer te worden verlaagd naar 23. Met de verkiezingen van 1967 is de kiesgerechtigde leeftijd verlaagd naar 21 jaar en vanaf 1972 is iedereen van 18 jaar en ouder kiesgerechtigd.

Tot 1896 krijgen stemgerechtigden een stembiljet toegezonden. Zij schrijven de naam van de gekozen politicus op en werpen het biljet op verkiezingsdag in de stembus. Vanaf de verkiezingen van 1897 verandert dit in de wijze waarop wij nu stemmen: de kiezer ontvangt een oproepkaart en gaat op de dag van de verkiezingen naar het stembureau. Hij ontvangt een stembiljet met namen en daarachter een in te kleuren hokje. Door het hokje van de verkozene (destijds zwart, nu rood) zwart te kleuren, brengt de kiezer zijn stem uit.

Vanaf de grondwetswijziging van 1917 mogen alle mannen van 23 jaar en ouder hun stem uitbrengen. De wijziging behelst tevens dat het algemeen en het bijzonder onderwijs wordt gelijkgesteld.

De Tweede Kamer wordt vanaf 1918 gekozen op basis van evenredige vertegenwoordiging. Voor die tijd bestaat in ons land een districtenstelsel zoals nu nog in de Verenigde Staten, Groot-Brittannië en Frankrijk. Dat houdt in dat per district (toen alleen) mannen mogen stemmen op één persoon die zich kandidaat stelt. Degene die de meeste stemmen per district haalt, wint het totaal aantal afgevaardigden van dat district voor de Tweede kamer.

Suze Groeneweg

Tijdens de verkiezingen van 1918 wordt voor het eerst een vrouw gekozen in de Tweede kamer. Het is de feministische onderwijzeres Suze Groeneweg die voor de sociaaldemocratische SDAP in de Kamer komt.

Na de Grondwetswijziging van 1922 mogen ook vrouwen zonder voorwaarden stemmen. Dit komt mede tot stand door de socialistische revolutionaire bewegingen in onder andere Duitsland en de Russische Revolutie in 1917. Na de verkiezingen van 1922 hebben alle partijen vrouwen in hun fracties behalve de Anti Revolutionaire Partij. Zij verzetten zich tegen het Kamerlidmaatschap van vrouwen.

Na de invoering van het algemeen kiesrecht is de strijd tussen verschillende maatschappelijke stromingen onderling prominenter dan voorheen. Door die zogenaamde verzuiling is het individu gebonden aan een scala van geboden en verboden die die specifieke groep kenmerkt. Zo stemt een sociaaldemocraat SDAP, leest hij een linkse krant, luistert hij naar de VARA, is hij lid van een vakbond, koopt hij het liefst zijn waar bij een geloofsgenoot en sport hij op een ‘rode’ sportclub. Datzelfde geldt voor liberalen, katholieken, protestanten enzovoorts: iedereen blijft binnen zijn of haar eigen groep.

Door de onderlinge rivaliteit tussen de verschillende zuilen is het moeilijk om politiek te bedrijven. Coalities en afspraken tussen die zuilen zijn niet of nauwelijks mogelijk. Na de Tweede Wereldoorlog is men ervan doordrongen dat alleen een snelle wederopbouw van ons land kan geschieden door een consensuspolitiek, een politiek waarin onderlinge afspraken tussen partijen met verschillende achtergronden worden gemaakt en waarbij die bereid zijn water bij de wijn te doen. Goed voorbeeld hiervan is de Rooms-Rode coalitie tussen de PvdA en de KVP uit de jaren 50 van de vorige eeuw.

Verkiezingsreclame

Tijdens de verkiezingscampagne van 1925 doet een nieuwtje zijn intrede: de draadloze radio. Op initiatief van de ‘Hilversumsche Draadlooze Omroep’ zijn de voormannen van de partijen te beluisteren op de radio in de week voor de verkiezingen. Omdat maar weinigen in die tijd een radiotoestel hebben, beleggen de partijen openbare vergaderingen waar “per loudspeaker de draadloos rondgeseinde rede” kan worden beluisterd.

Een andere noviteit is de film. De liberalen vertonen een bijeenkomst in de cinema onder de titel ‘De Vrijheid’. De SDAP huurt een vliegtuig en strooit 2 miljoen biljetten uit en heeft op die manier volgens de sociaaldemocraten de verkiezingsreclame in Nederland geïntroduceerd.

De sociaaldemocraten introduceren voor de verkiezingen van 1929 een luidsprekerauto waarin grammofoonplaten worden afgespeeld met toespraken van SDAP’ers. Elke partij krijgt radiozendtijd en alleen de Staatkundig Gereformeerde Partij zegt af om principiële redenen. Zogenaamde propaganda-uitzendingen van aanverwante omroepen als de VARA, NCRV en KRO zijn uitdrukkelijk verboden, zodat alle grote partijen (kleineren partijen hebben minder zendtijd) dezelfde tijd krijgen toebedeeld.

In die tijd krijgen vooral socialisten een steeds grotere stem in de Tweede Kamer. Schommelt de SDAP in ongeveer 1900 nog rond de 5 stemmen, in 1925 behalen ze 24 zetels en daarmee worden ze de tweede grootste partij van Nederland na de Rooms-Katholieke Staatspartij. Ook een aantal confessionele partijen schuift meer naar links op. Na de Eerste Wereldoorlog krijgt het pacifisme (het gebroken geweertje) steeds meer aanhang.

Crisis

Als gevolg van de beurskrach van 1929, waardoor de aandelenbeurs op Wall Street in New York keldert, breekt de ergste economische crisis uit van de 20e eeuw. Gevolg is een bankencrisis en een internationale schuldencrisis, waar het hele decennia last van wordt gehouden. In 1933 komt Adolf Hitler in Duitsland aan de macht.

Centraal in de verkiezingen van 1933 staat de economische crisis. De ARP van Hendrikus Colijn wint 2 zetels, maar is niet de grootste partij. Colijn wordt wel premier van het zogenaamde crisiskabinet. In de regeerperiode voert het kabinet Colijn grote bezuinigingen uit. De Nederlandse economie wil in tegenstelling tot die van omringende landen niet op gang komen. Een reden daarvoor is dat Nederland blijft vasthouden aan de gouden standaard. De gouden standaard is de directe omwisselbaarheid van de gulden in goud.

De bezuinigingen van Colijn treffen onderwijzend personeel, ambtenaren en werklozen proportioneel harder dan de rest van de beroepsbevolking. In 1934 breekt het Jordaanoproer uit als gevolg van het verlagen van de steun met maar liefst 10 procent. Er vallen 5 doden. Ook elders in het land breekt oproer uit.

Bij de verkiezingen van 1937 is de ARP van Colijn winnaar met 3 zetels. De Nationaal-Socialistische Beweging van Anton Mussert komt de Kamer in met 4 zetels. Colijn vormt wederom een nieuw kabinet. Het is het laatste kabinet dat voornamelijk uit de 3 grote confessionele partijen (RKSP, ARP en CHU) bestaat. De 3 partijen zijn sinds eind 19e eeuw onafgebroken aan de macht.

Het kabinet valt in 1939 omdat de katholieken meer geld willen voor de economische verbeteringen en werkverschaffingsprojecten. Eén van die projecten is het Boschplan, de aanleg van het Amsterdamse bos. De arbeiders ontvangen een schamel loon van 20 gulden per week voor 6 dagen werk.

Oorlogskabinetten

Onder leiding van jonkheer de Geer regeert een noodkabinet. Voor het eerst nemen sociaaldemocraten plaats in de regering. Die regering wijkt op 14 mei 1940 uit naar Groot-Brittannië als de nazi’s Nederland zijn binnengevallen. Het is het eerste van 4 oorlogskabinetten in ballingschap. Koningin Wilhelmina ontslaat in september 1940 De Geer vanwege zijn “weinig strijdlustige houding”. Hij wordt vervangen door premier Gerbrandy. Die vormt in totaal 3 kabinetten tijdens de oorlog. Zijn derde kabinet is vanaf 12 mei 1945, dus na de bevrijding, demissionair.

Koningin Wilhelmina heeft in die tijd een relatief grote rol in het kabinet vanwege de afwezigheid van de controle van het parlement. Winston Churchill noemt haar “de enige man in het Nederlandse kabinet”.

Na de oorlog benoemt koningin Wilhelmina het kabinet Schermerhorn-Drees. Het is een noodkabinet dat zich bezighoudt met herstel en vernieuwing en dat nieuwe verkiezingen uitschrijft. Ook het parlement is een noodparlement. Het bestaat voornamelijk uit leden die zich tijdens de oorlog verdienstelijk hebben gemaakt. NSB’ers en foute Kamerleden worden geweerd.

In mei 1946 zijn de eerste naoorlogse verkiezingen. De in februari ’46 opgerichte PvdA verliest, in vergelijking met de vooroorlogse voorlopers, 2 zetels. Opmerkelijk is de 10 zetels die de Communistische Partij Nederland binnensleept. Door de inspanningen van de Sovjet-Unie tijdens de oorlog met nazi-Duitsland hebben relatief veel Nederlanders op de communisten gestemd. De Tweede Kamer bestaat in die dagen uit 100 leden. 10 procent van de Nederlandse stemgerechtigden heeft dus op de CPN gestemd.

Het eerste naoorlogse kabinet is het kabinet Beel I. Het bestaat uit de KVP, PvdA en een aantal partijloze leden. Het kabinet maakt een begin met wat later de verzorgingsstaat is gaan heten. Het beleid is gematigd progressief.

Indonesië

In verband van de dan op handen zijnde onafhankelijkheid van Indonesië is een Grondwetswijziging nodig. Het kabinet treedt in 1948 af en schrijft nieuwe verkiezingen uit. Die soevereiniteit van de Republiek Indonesië wordt in december 1949 ondertekend na een aantal politionele acties van het Nederlandse leger in Indonesië. Dit alles valt onder verantwoordelijkheid van het kabinet Drees I dat in 1948 aantreedt, maar in 1951 alweer demissionair is. De val is het gevolg van de discussie rond het al dan niet onafhankelijk worden van Nieuw-Guinea van Nederland. Onder druk van de internationale gemeenschap en een dreigende oorlog met Indonesië wordt Nieuw-Guinea in 1962 onafhankelijk van Nederland.

Het kabinet schrijft geen nieuwe verkiezingen uit, maar probeert de breuk in de regering te lijmen. Dat lukt en het is de eerste keer dat een informateur aan het werk wordt gezet om een kabinet (Drees II) te vormen.

Bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1952 behaalt de PvdA van Drees een overwinning. De sociaaldemocraten halen precies het aantal zetels van de grootste partij tot dan, de KVP. In absolute aantallen is de PvdA zelfs de grootste partij.

Watersnoodramp

Drees vormt zijn derde kabinet. Het wordt een kabinet van PvdA-KVP-ARP-CHU. Nederland trekt ten strijde in Korea in de Koreaoorlog. Tot 1953 wordt er gevochten, maar formeel is de oorlog nooit beëindigd. Eveneens in 1953 vindt de watersnoodramp plaats in de zuidelijke Nederlanden en met name in Zeeland. Vele honderden mensen vinden de dood. Daarnaast voert onder dit bewind het kabinet Drees in 1956 de AOW in. Ook gaat het aantal Kamerleden in 1956 van 100 naar 150. Voor het eerst is een vrouw minister in een Nederlands kabinet. Het is de scheikundige Marga Klompé die minister van Maatschappelijk Werk wordt.

De in 1956 gehouden verkiezingen verlopen goed voor de PvdA die 4 zetels wint. Na moeizame onderhandelingen vindt een voortzetting plaats van een coalitie van PvdA-KVP-ARP-CHU. Het kabinet vindt al in 1958 haar Waterloo. Het interim-kabinet Beel II regeert slechts 3 maanden en is er vooral om de nieuwe verkiezingen voor te bereiden.

Bij de verkiezingen van 1959 verliest de PvdA haar meerderheid en is de KVP weer de grootste. Grote winnaar is de VVD die 6 zetels wint. Het kabinet De Quay treedt aan en sinds de Tweede Wereldoorlog zitten er geen sociaaldemocraten in de kamer. Het is de voortzetting van de partijen die het vorige kabinet vormen minus de PvdA die wordt vervangen door de VVD. Voor het eerst komt de PSP in de Kamer.

Tijdens de regeerperiode van het kabinet komt de Algemene Bijstandswet tot stand en wordt Nieuw-Guinea onafhankelijk. Tevens wordt in 1959 een enorme hoeveelheid aardgas onder het Groningse Slochteren gevonden.

Na de verkiezingen van ’63 komt de eerste ‘populistische’ Nederlandse partij met 3 zetels in de Kamer: het is Hendrik ‘boer’ Koekoek met zijn Boerenpartij. Opvallend is het forse verlies van de PvdA en dat de KVP één derde van alle zetels in de Kamer opeist. De coalitie wordt voortgezet in het kabinet Marijnen.

Door de hoge inkomsten van het Groningse aardgas gaat het Nederland economisch voor de wind en worden buitenlandse werknemers aangetrokken vanwege de vele moeilijk vervulbare vacatures. Na anderhalf jaar valt het kabinet, omdat de VVD meer commercie in het omroepbestel wil.

(Bron: Parlement & Politiek, Jan van Putten: Politieke Stromingen (Aula Pocket), Tweede Kamer der Staten-Generaal, Wikipedia.)

In deel 2 leest u het vervolg van de geschiedenis van meer dan anderhalve eeuw verkiezingen.

Dossier Verkiezingen

In ons dossier Verkiezingen vindt u fragmenten uit Tijd voor MAX en Hallo Nederland en antwoord op vragen als: Wat zijn de belangrijkste thema’s deze verkiezingen? Hoe staan de verschillende partijen daar tegenover? En wie is de mens achter de politicus?

Meer beelden van vroeger zien? Neem eens een kijkje in het online archief van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid.

Geef een reactie