Tuschinski

100 jaar Theater Tuschinski, “de mooiste bioscoop ter wereld”

Op 28 oktober 1921, in 2021 100 jaar geleden, opent de Amsterdamse bioscoop Tuschinski voor het eerst haar deuren. De naamgever van de bioscoop, de Joods-Poolse immigrant Abraham Tuschinski, heeft een grote voorliefde voor de film en bouwt aan het begin van de vorige eeuw een bioscoopimperium op. In 2021 roepen de redacteuren van het Britse magazine Time Out de Amsterdamse bioscoop uit tot “mooiste bioscoop ter wereld”.

Tuschniski

Abraham Icek Tuschinski wordt op 14 mei 1886 geboren in het Poolse Brzeziny. Hij wordt, net als zijn vader, kleermaker en trouwt in 1904 met Mariem Ehrlich. Tuschinski wil naar Amerika emigreren. Hij reist daarom naar Rotterdam, om de oversteek naar de nieuwe wereld te maken. In Rotterdam aangekomen, vindt hij werk als vestenmaker en helpt hij Oost-Europese immigranten in het voor hen onbekende Rotterdam. Met het verdiende geld richten hij en zijn vrouw het logement Polski op, voornamelijk voor Joodse immigranten uit Oost-Europa die hun heil in de VS willen zoeken.

Tot die gasten behoren kleermakers van wie een aantal een belangrijke rol zullen gaan spelen in de Amerikaanse filmindustrie. Zoals Samuel Goldfish, later Samuel Goldwyn genoemd. Hij richt in de VS Goldwyn Pictures op, dat bekend wordt mede door de brullende leeuw, Leo the Lion, aan het begin van een film. Goldwyn Pictures gaat later op in Metro-Goldwyn-Mayer, oftewel MGM, dat zal uitgroeien tot één van de grootste mediabedrijven ter wereld.

Tuschinski is gefascineerd door film. In 1909 heeft de Belg Jean Desmet al de 1e echte bioscoop van Rotterdam geopend, Cinéma Parisien genaamd. Tuschinski richt zich eveneens op de relatief nieuwe vorm van vermaak: aan de Coolvest richt hij bioscoop Thalia op, dat is gevestigd in de voor de sloop bestemde Zeemanskerk. In 1912 moet hij de kerk verlaten en koopt hij een pand aan de Hoogstraat, waar hij een bioscoop realiseert met comfortabele stoelen en een vrij uitzicht vanaf elke plaats op het doek.

Tuschinski werkt samen met zijn zwagers Herman Gerschtanowitz, overgrootvader van Winston Gerschtanowitz, en Hermann Ehrlich. Gerschtanowitz is de zakelijke van de 3, terwijl Tuschinski en Ehrlich een meer artistieke inslag hebben. Met z’n drieën bouwen ze een bioscoopimperium op in Rotterdam, bestaande uit Thalia, Cinema Royal, Scala en Olympia. Tuschinski is een echte liefhebber van de film en laat bepaalde films waarvan hij het vertoningsrecht heeft gekregen, voorzien van een kostbare toneelshow. Met bekende sterren van film, musichall of variété, koor, ballet met dure decors. Hij wil bepaalde films zo graag hebben dat filmverhuurders hem teveel laten betalen.

‘Wereldtheaterpaleis’

Maar Tuschinski wil ook graag een bioscoop beginnen in Amsterdam. Aanvankelijk laten hij en zijn zwagers het oog vallen op een pand aan de Dam. Dat lukt niet, waardoor wordt uitgeweken naar de Reguliersbreestraat. Waar Tuschinski zijn ‘wereldtheaterpaleis’ wil bouwen. In 1918 kopen ze een stuk grond op de zogenaamde ‘Duvelshoek’. Tevens kopen ze panden op in de Reguliersbreestraat. Het is een vreselijke buurt vol armoede, maar Tuschinski wil er het mooiste en grootste theater van Amsterdam bouwen. In het blad Tuschinski Nieuws zegt hij later: “Amsterdam heeft vele theaters, maar als ik er één bouw, dan moet het alle andere ver overtreffen [….. ] grootsch als een tempel en fraai als een paleis, een theater dat zijn weerga in Europa nog niet heeft, en zelfs het verwende Amsterdamsche publiek paf doet staan van bewondering.”

Het theater moet aan 1.500 mensen plaats bieden en moet een groot toneel hebben waar ook variétéartiesten en toneel, revue en operagezelschappen kunnen optreden. Later zullen op dat toneel internationale grootheden als Maurice Chevalier, Judy Garland, Marlene Dietrich, Edith Piaf, Dizzy Gillespie, Fats Domino, Dionne Warwick en Josephine Baker hun kunsten vertonen. De belangrijkste eis van Tuschinski is echter het balkon. Hij wil 2 balkons, die 7 meter de zaal insteken en die zonder palen worden ondersteund. Tuschinski: “Kein paal ien main zaal!”

 Maurice Chevalier

De Franse zanger Maurice Chevalier tijdens zijn optreden in Tuschinski.

Het theater is een ontwerp van architect Hijman Louis de Jong, die de bouw vanwege ruzie met Tuschinski niet zal voltooien. D.C. Klaphaak wordt aangetrokken en hij voltooit de bouw. Voor het interieur zijn onder anderen Chris Bartels, J.Kromhout, Pieter den Besten, Jaap Gidding en Dirk Jan van der Laan verantwoordelijk.

Jugendstil, Art Deco en Amsterdamse School

Voor Tuschinski is alleen het mooiste goed genoeg. Er wordt bij de bouw van het theater gebruik gemaakt van edele houtsoorten, fijn geslepen glas, brons en koper, marmer en luxe tapijten. De entree en de foyers zijn bijzonder mooi gedecoreerd met pauwen, kraanvogels en vlinders. Het handgeknoopte tapijt in de entree heeft een oppervlakte van 150 vierkante meter. Het licht in de prachtige koepel verandert steeds van kleur en in de bioscoopzaal hangt een schitterende spinnenweb-lamp. De elektrotechnische installatie is zijn tijd vooruit en het verwarmings- en ventilatiesysteem houdt op alle plekken in het theater de temperatuur gelijk. Het 1e projectiescherm is 12,5 x 8,5 meter groot. Het huidige scherm meet 12,8 x 9 meter. De bioscoop is gebouwd in de stijl van Jugendstil, Art Deco en Amsterdamse School. De kosten bedragen ongeveer 4 miljoen gulden, een astronomisch bedrag in die tijd.

Tuschinski

Lichtkoepel in de foyer

De rand boven het toneel heeft een symbolische decoratie. In het midden zijn Thalia 1 en 2 afgebeeld, hetgeen een verwijzing is naar de 1e bioscoop van Tuschinski in Rotterdam. Verder zijn de 4 elementen weergegeven: links van Thalia water en lucht door afbeeldingen van een vis en een vogel, rechts aarde en vuur, met afbeeldingen van een slang en een vulkaan. Tenslotte is er nog de bliksemschicht voor elektriciteit, dat noodzakelijk is voor het projecteren van films.

De Japanse Kamer ingericht in Japanse stijl is oorspronkelijk bedoeld als garderobe. De kamer ligt links van de ingang aan de wandelgang naar de filmzaal. Een paneel met een voorstelling van een geisha die door bedienden gekleed wordt, verwijst naar de oorspronkelijke functie van de Japanse zaal. De Moorse Kamer is ingericht in Moorse stijl en is oorspronkelijk bedoeld als een intieme zithoek. De kamer ligt rechts van de ingang aan de wandelgang naar de filmzaal. In de Moorse kamer worden middels de decoratie de sprookjes van 1001 Nacht tot leven gebracht.

Wurlitzer

In de 1e jaren na de Eerste Wereldoorlog is het moeilijk om aan bouwmaterialen te komen. Zo mogen de bestelde heipalen Duitsland niet uit. Tuschinski reist naar Duitsland en ziet erop toe dat de palen naar Nederland komen. De steenfabriek waar hij zijn stenen heeft gekocht wordt door watersnood getroffen. Hij rijdt naar de fabriek en weet de levering toch voor elkaar te krijgen. Ook de houten overkapping blijkt niet op tijd leverbaar. Toch weet Tuschinski het voor elkaar te krijgen dat de overkapping op tijd naar Amsterdam wordt gebracht.

Tuschinski heeft gehoord van het succes van een orgel in de Amerikaanse bioscopen. Het is de tijd van de stomme film en die worden vaak opgeluisterd met muziek. Tuschinski wil zo’n Wurlitzer in zijn theater, maar Wurlitzer kan onmogelijk een orgel op tijd leveren. Tuschinski weet dat er in Brussel een theater is waar zo’n orgel staat. Hij koopt het orgel en neemt alvast onderdelen van het instrument mee voordat de Belgen zich bedenken. Voor de opening zijn de organisten Stevenson uit New York en Beers uit België gecontracteerd. Beers is de 1e vaste organist in Tuschinski tot 1922.

Hij wordt opgevolgd door de talentvolle jonge Nederlandse organist Pierre Palla. Later zullen ook Bernard Drukker en Cor Steyn achter het orgel plaatsnemen. Samen met het Tuschinski Theaterorkest, onder leiding van Max Tak spelen ze muzikale intermezzo’s en begeleiden ze de geluidloze films. In 1969 speelt het Tuschinski Theaterorkest voor het laatst en het orgel wordt voor het laatst voor het begin van de film bespeeld in 1974. Door het grote succes van de televisie verdwijnen ook de theateracts.

Opening

Op 28 oktober 1921 opent Tuschinski haar deuren voor publiek. Het publiek is laaiend enthousiast. De krant Het Vaderland schrijft: “Den monumentalen Tuschinski-gevel, fraai van lijn, mooi van steen, dadelijk verradend dat hier een lichtspel zijn triomfen viert. (…) Wij voor ons verklaren gulweg, dat de stoutste verwachting is overtroffen en dat de heer Tuschinski aan ons land een schouwburg heeft geschonken, waarvan wij de weerga niet kennen.”

La Gaîté

Behalve de grote zaal van het Tuschinski Theater wordt op 28 oktober 1921 ook cabaret La Gaîté geopend onder de artistieke leiding van Henry Wallig. La Gaîté heeft een eigen orkest en brengt programma’s met zang en dans, variété, sneldichters en eenakters. In de loop der tijd treden daar Louis Davids, Lou Bandy, Fien de la Mar, Stella Fontaine, Cor Ruys en Koos Speenhoff op. Tussen 1934 en 1940 treedt hier met enige regelmaat ook het Berlijnse Nelson Cabaret op. Na de oorlog worden er voorstellingen gegeven door Toneelwerkgroep Test van Kees van Iersel met stukken van Ionesco en Samuel Beckett. In het souterrain is ten behoeve van de kinderen een crèche gevestigd.

Roxy

In 1923 opent Tuschinski in Rotterdam het Grand Theatre en in 1928 de Roxy aan de Kalverstraat in Amsterdam. Tijdens het bombardement op Rotterdam in 1940 worden alle bioscopen van Tuschinski daar vernietigd.

Op 10 mei 1929 wordt in Tuschinski de 1e geluidsfilm getoond: The Broadway Melody. Met de komst van de geluidsfilm moeten enkele aanpassingen ter bevordering van de akoestiek worden gedaan. In 1930 introduceert Tuschinski de galapremière, waarbij alle acteurs aanwezig zijn en handtekeningen uitdelen aan het publiek. Tuschinski is op het hoogtepunt van zijn succes.

Maar de jaren daarop gaat het financieel niet voor de wind en in 1936 gaat Tuschinski bijna failliet. Dit is onder andere vanwege een geflopte film, Komedie om geld genaamd. Tevens moeten de bouwplannen voor een bioscoop in Den Haag op een duur stuk grond steeds worden uitgesteld. De zakelijke leiding komt in handen van N.V. Tubem met de Joodse A. van Santen als hoofdirecteur. Tuschinski blijft directeur, maar hij en zijn zwagers komen in dienstverband. Kort na het begin van de Tweede Wereldoorlog worden Van Santen, Abraham Tuschinski, Herman Ehrlich en Herman Gerschtanowitz ontslagen.

Tuschinski tijdens de oorlog

Op 31 augustus 1940, de verjaardag van koningin Wilhelmina, hangen 2 vlaggen, de Nederlandse en de Britse, aan de voorgevel van het Tuschinski theater. Het gehele personeel wordt door de Duitsers gearresteerd. Het theater moet 3 maanden haar deuren sluiten als straf. Tuschinski is op dat moment in Rotterdam en reist naar Amsterdam om zijn personeel vrij te krijgen, hetgeen lukt. Het theater opent weer op vrijdag 15 november, als de hele Tuschinski-exploitatie is overgedragen aan het Duitse filmbedrijf Tobis en dus volledig in handen is van de Duitsers. De naam Tuschinski verandert op 1 november 1940 in Tivoli. Die naam Tivoli krijgt onder het volk de betekenis: ‘Tuschinski Is Verkocht Of Liever Ingepikt’. Vanaf dat moment draaien in Tivoli alleen maar Duitse films. Op 29 juli 1945 prijkt de naam Tuschinski weer op de voorgevel van het theater.

Op vrijdag 18 juli 1941 breekt er brand uit in Tivoli in de zalen van cabaret La Gaîté. De zalen worden gesloten en er vindt een langdurige renovatie op last van de Duitse directie plaats. De bovenzaal wordt geheel afgesloten en de benedenzaal blijft als enige cabaretzaal over. Alle losse beelden in het theater zijn gestolen en de kostbare projectoren zijn vervangen door Duitse apparatuur. Op vrijdag 13 november 1942 heropent het cabaret, maar er treden alleen nog maar Duitse artiesten op in La Gaîté dat dan is omgedoopt tot Tivoli cabaret.

Abraham Tuschinski wordt op 1 juli 1942 gearresteerd en komt via Westerbork aan in Auschwitz, waar hij op 17 september 1942 wordt vermoord. Hermann Ehrlich wordt in Sobibor vermoord op 13 maart 1943. Herman Gerschtanowitz wordt op 5 oktober 1942 in Auschwitz vermoord. In Tuschinski is een plaquette geplaatst ter nagedachtenis aan Abraham Tuschinski, Hermann Ehrlich en Herman Gerschtanowitz.

Tuschniski

Gedenkplaat ter nagedachtenis aan H. Ehrlich, H. Gerschtanowitz en A. Tuschinki.

Tuschinski “de mooiste bioscoop ter wereld”

Rond het jaar 2000 vindt een grondige restauratie plaats, zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant. Uitgangspunt is het theater weer terug te brengen in de unieke oude stijl. In 2019 is de reconstructie klaar van de wandschilderingen van Pieter den Besten in zaal 2 van Tuschinski. Die zijn bij de brand in 1941 verloren gegaan. De Haagse kunstenares Liesbeth Stinissen is verantwoordelijk voor de reconstructie. In 1995 komt Tuschinski in handen van de Franse bioscoopgroep Pathé, de huidige eigenaar van het theater.

Het Britse toonaangevende culturele magazine Time Out roept Tuschinski in 2021 uit tot “de mooiste bioscoop ter wereld”. De verkiezing is gedaan door redacteuren van het blad en door kunstkenners. Het omschrijft Tuschinski als een “nooit oud geworden droompaleis, met zijn elegante mix van art deco en art nouveau met strakke modernistische accenten”. De lezers wordt aangeraden “een bedevaartstocht te maken naar dit weelderige, historische heiligdom voor films”.

Tuschinski

De foyer in Tuschinski.

(Bron: Amsterdamhv.nl, Eyefilm.nl, Celluloidjunkie.com, Amsterdam.info, Bioscoopgeschiedenis.com, NOS.nl, Joodsamsterdam.nl, Theaterorgel.nl, Huygens.knaw.nl, Oorlogsbronnen.nl, Pathe.nl, Theaterencyclopedie.nl, Wikipedia)

Geef een reactie

Reactie

  1. Sandeman says:

    Als klein kind ben ik vaak in Tuschinski naar de film geweest. Mijn vader heeft nog stomme films begeleid in Tuschinski.
    Dat moet voor de oorlog geweest zijn.
    Ik vond het een feest als wij er heen gingen, Alles was er even mooi. Ik keek mijn ogen uit!
    Clara J. Roozendaal