Wegenwacht

De Wegenwacht, 75 jaar hulp bij pech onderweg

Voor een ieder die weleens met pech onderweg heeft gestaan, is het een grote opluchting als na enige tijd de gele auto van de Wegenwacht verschijnt. Het is op 15 april 1946, nu 75 jaar geleden, dat de wegenwachten van de ANWB voor het eerst uitrijden om gestrande reizigers met pech te helpen. Sinds 1946 heeft de Wegenwacht zo’n 45 miljoen pechgevallen geholpen!

24 uur per dag en 7 dagen in de week staat de Wegenwacht paraat om mensen met pech te helpen. En dat is wel nodig ook, want ondanks het feit dat voertuigen tegenwoordig betrouwbaarder zijn dan vroeger, blijkt uit cijfers dat de Wegenwacht geen overbodige luxe is. Zo moet de Wegenwacht 151.000 maal per jaar starthulp verlenen en rukken de wegenwachten 161.000 maal per jaar uit voor een lekke band. Zo’n 15.000 maal per jaar repareren ze defecte brandstofpompen, 12.250 maal een kapotte hoofdverlichting, helpen ze 24.500 maal een eigenaar die is ingesloten of zijn of haar sleutel kwijt is en 9.500 mensen die verkeerd hebben getankt. Elke 26 seconden lost de Wegenwacht een pechgeval op. De Wegenwacht heeft 785 wegenwachten, 49 accu-servicemedewerkers, 63 lepelwagenchauffeurs en 33 servicecentrummedewerkers in dienst.

De beginjaren

Markus van Tol is voorlichter bij de ANWB. Hij vertelt over hoe het idee voor een Nederlandse Wegenwacht is ontstaan. Van Tol: “Plannen om een pechdienst voor automobilisten te beginnen, had de ANWB al in de jaren 20. Dat werd toen intern bij de ANWB aangeduid als een ‘veiligheidsdienst voor de wegen’. Men wilde de pechdienst in 1939 daadwerkelijk van start laten gaan, maar de Tweede Wereldoorlog voorkwam dat. Pas na de oorlog kon het plan worden verwezenlijkt. Overigens is de wegenwacht geïnspireerd naar het voorbeeld van de Britse Automobile Association (AA) opgericht in 1905. Die club stuurde toen medewerkers de weg op om leden te waarschuwen voor snelheidscontroles door de politie.”

“De ANWB Wegenwacht begon 15 april 1946 met 6 man personeel. Ze presenteerden zich die dag op het Binnenhof in Den Haag. Zij hadden de beschikking over motoren met zijspan, overgenomen van het Canadese leger. Ze werden geel gespoten en voorzien van een gereedschapskist in de zijspan.” Deze motoren zijn de zogenaamde Liberators van het merk Harley Davidson.

Voertuigen zijn in die tijd beduidend minder betrouwbaar dan tegenwoordig. Vanwege de naoorlogse schaarste aan onderdelen moet de wegenwachter vaak zelf een oplossing bedenken. Van Tol: “In de beginjaren stonden auto’s vaak langs de kant van de weg met lekke banden, doorgezakte veringen en oververhitte en dus stomende motoren. Reserve-onderdelen en banden waren door de oorlog nauwelijks te krijgen. Dat alles deed een beroep op het improvisatievermogen van de 1e wegenwachten. Ze vervingen gebroken veerpakketten door blokken hout, vulden lekke banden met gras en vervingen kapotte ventilatorriemen door nylon kousen. Dat leidde er in elk geval toe dat de pechklanten konden thuiskomen, al was het vaak met horten en stoten. In de 1e jaren is de hulp gratis en worden ook niet-leden geholpen. In 1946 waren er 9.564 pechhulpverleningen. In 1948 was dat aantal al gegroeid tot 63.467.”

In het begin hebben de wegenwachten nog geen moderne communicatiemiddelen tot hun beschikking. Later doet de beroemde praatpaal zijn intrede, om pech langs de weg te melden. Van Tol: “In de 1e jaren probeerden weggebruikers met pech de rondrijdende Wegenwacht-medewerkers zelf te attenderen. Ze konden een vlaggetje omhoog steken met ‘SOS Hulp’ gevraagd. Vanaf 1950 verschenen er 400 blauwe telefoonschilden op woningen, horecagelegenheden en benzinestations. Daar konden mensen bellen en op die manier de Wegenwacht waarschuwen.

In 1960 kwamen er bij wijze van proef 10 praatpalen langs Rijksweg 13 (de tegenwoordige A13), die weggebruikers met pech in de gelegenheid stelden om te bellen en hun gegevens door te geven aan één van de meldkamers van de Wegenwacht. De rondrijdende wegenwachten kregen hun pechgevallen weer door via de mobilofoon.

praatpaal

Vanaf 1970 werd er begonnen met een landelijk dekkend netwerk van praatpalen. Voordeel van de praatpaal was dat personeel van de meldkamer exact de locatie wist van de pechmelder. Vanaf 1990 kwam de mobiele telefoon op en de verspreiding daarvan was in 2017 zo groot en het aantal gesprekken via de praatpalen werd zo laag dat is besloten de palen te ontmantelen.”

praatpalen

De motoren van de Wegenwacht voldoen op een gegeven moment niet meer en worden vervangen door de bestel-eend van Citroën. In de loop der jaren is het wagenpark van de Wegenwacht uitgebreid en met de tijd meegegaan. Van Tol: ”Tot 1960 reed de Wegenwacht met motoren, aanvankelijk Harley Davidsons, later BSA’s. In 1959 stapten we geleidelijk over op de Citroën 2CV, oftewel de bestel-eend. Deze auto bood meer ruimte voor gereedschap, er was plek voor onderdelen en de mobilofoon-installatie. Later volgden de Daf, de Citroën Ami, de Renault 4 en een hele serie Volkswagens zoals de VW Golf en zijn grotere broer de VW Transporter. Overwegingen voor de keuze van een andere auto liggen onder meer in gebruiksgemak, laadvermogen, ruimte in het interieur en kosten.”

WegenwachtDuurzaamheid en innovatie

De Wegenwacht vindt duurzaamheid en innovatie belangrijk. Daarom is in het afgelopen decennium geëxperimenteerd met het inzetten van elektrische voertuigen. Van Tol: “De laatste jaren weegt met name ook het aspect duurzaamheid mee. We doen al een kleine 10 jaar proeven met elektrische bestelauto’s, elektrische motorfietsen en e-bikes, maar hebben nog geen betaalbaar emissievrij voertuig gevonden dat volledig aan onze eisen voldoet. Een wegenwacht moet zo’n 250 km per dag van het ene pechgeval naar het andere kunnen rijden met 700 kilo aan gereedschap en onderdelen aan boord, om de meest voorkomende soorten pech te kunnen verhelpen. Wij denken dat de emissievrije voertuigen die wij zoeken binnen 2 jaar op de markt zullen komen. Voor 2025 zullen we daar tientallen exemplaren van kopen voor gebruik in en rond grote steden waar tussen 2025 en 2030 ‘zero emissiezones’ worden ingevoerd. Dus we zullen inderdaad de komende jaren steeds duurzamer worden.”

Vanaf de jaren 50 krijgt de opleiding tot wegenwachter vastere vorm met onder meer klassikaal onderwijs. De wegenwacht moet niet alleen kennis van motoren en auto’s hebben, hij of zij wordt ook getraind in goede communicatievormen en in EHBO. Van Tol: “Een belangrijke eigenschap van de wegenwacht zit in zijn of haar houding die erop is gericht om altijd op zoek te gaan naar de beste oplossing voor het ANWB-lid met pech. De wegenwacht is getraind om de oorzaak van de storing heel snel vast te stellen en ter plekke een oplossing te bieden. Iedere wegenwacht is allround en moet in staat zijn de meest uiteenlopende storingen te kunnen verhelpen; van een automobilist die met verkeerd getankte brandstof stilstaat tot elektronische storingen.”

Er rijden steeds meer voertuigen rond met een alternatief voor de verbrandingsmotor, zoals elektrische voertuigen en hybride voertuigen. De opleiding van de wegenwachten wordt daarop aangepast. Van Tol: “De komende jaren wordt een flinke groei verwacht van het aantal elektrische personen- en bestelauto’s. De Wegenwacht is hier goed op voorbereid. Alle wegenwachten worden continue bijgeschoold, zodat ze ook pech kunnen verhelpen bij de modernste voertuigen. Steeds meer Wegenwachtauto’s zijn uitgerust met een mobiele snellader, zodat we mensen die zijn stilgevallen weer op weg kunnen helpen. Sinds enkele jaren verhelpen we ook storingen bij laadpalen.”

Het is voor de Wegenwacht belangrijk om een piek in het aantal pechgevallen te voorspellen. Zowel tijdens de zomer bij vakantieuittochten, bij grote evenementen als in de winter. De bezetting van de Wegenwacht wordt voor zo’n piek aangepast. Gemiddeld helpt de Wegenwacht zo’n 3.300 gestrande reizigers per dag. De drukste dag ooit voor de Wegenwacht is op 7 februari 2012 geweest, met hulp aan 9.875 mensen met pech onderweg.

Mooie verhalen

Met pech onderweg stil komen te staan is natuurlijk nooit leuk. Het levert achteraf soms wel mooie verhalen op. Een aantal van deze verhalen is opgetekend in de Kampioen, het tijdschrift van de ANWB. Zo rijden in 1991 Janneke Westerman, haar zus en haar ouders naar oma om kerst te vieren. Janneke heeft weleens last van allergie, maar op deze dag heeft ze last van “hete billen”. Haar ouders lachen er een beetje om, maar haar billen worden heter en heter. Als er zich ook nog een vreemde geur in de auto verspreidt, besluit vader Westerman niet een dokter te bellen maar de Wegenwacht. Ze staan buiten in de kou op de pechhulp te wachten, met als enige warmtebron de hete billen van Janneke. De wegenwacht komt uiteindelijk tot de conclusie dat er een gat zit in de uitlaat, net onder de stoel van Janneke, en repareert het euvel. Hadden ze nog even doorgereden, dan was de auto waarschijnlijk in de brand gevlogen. Zo kan de familie Westerman toch nog kerst vieren bij oma.

Peter en Tineke Vermeulen treden op een koude 22e december 1980 in het huwelijk. Peter heeft de bruidssuite van het Rotterdamse Hilton gehuurd, hetgeen hij niet heeft verteld aan zijn kersverse bruid. Als trouwauto fungeert een Triumph Spitfire van een nicht. Na de plechtigheden en een etentje in Den Haag rijden ze richting Rotterdam. Onderweg begint de Spitfire kuren te vertonen en Peter besluit de sportwagen even voorbij Delft langs de kant te zetten en de Wegenwacht te alarmeren via de praatpaal. De wegenwacht van dienst kan de auto niet repareren en sleept de sportwagen naar de dichtstbijzijnde woonwijk in Rotterdam. Daar aangekomen vraagt hij waar het bruidspaar naar toe gaat. Peter moet dan wel vertellen dat hij als verrassing de bruidssuite van het Hilton heeft gehuurd. De wegenwacht besluit hen naar het hotel te rijden. Bij het hotel opent een lachende portier van het Hilton de deur van de knalgele auto. Ze nemen afscheid van de wegenwacht en bedanken hem met een fles champagne.

Melanie en Jeroen van Maanen rijden in 2020 door Apeldoorn, als er een vreemd geluid onder de motorkap vandaan komt. Hij lijkt op een miauwende kat. Bij inspectie onder de motorkap blijkt dat zich jonge katten in de ruimte bevinden. Ze krijgen geen contact met de dierenambulance, maar wel met de Wegenwacht. Als wegenwacht René verschijnt, krikt hij de wagen op en haalt de bodemplaat los. Jeroen weet 3 bange en blazende kittens uit de motoruimte te halen. Als René de auto weer rijklaar wil maken, horen ze weer gemiauw. Nummer 4 wordt uit de benarde positie bevrijd en René zet de auto weer in elkaar. Samen met het asiel besluiten Melanie en Jeroen de kittens op te voeden tot ze aan mensen zijn gewend. Daarna vliegen ze uit naar nieuwe baasjes.

Viering Wegenwacht 75 jaar

De Wegenwacht bestaat dus 75 jaar en dat moet gevierd worden. Er verschijnt een leuke reclame op de televisie en er is een tentoonstelling in het Louwmanmuseum in Den Haag, met oude wegenwachtvoertuigen in de zomer. Als de coronapandemie dat toelaat. Ook verschijnt er een boek over de geschiedenis van de Wegenwacht. En op 15 april 2021 zijn alle auto’s van de Wegenwacht uitgedost met een feestelijke strik.

Met dank aan Annelies Tichelaar en Markus van Tol van de ANWB.

Geef een reactie