Deel 6: Keuzes, Keuzes

Omroep: MAX

Duur: 0:04:30

Uitzending: ma 4 apr 2016 00:00

Deel 6: Keuzes, keuzes

Als u eenmaal weet waarover uw verhaal moet gaan, zijn er nog steeds veel keuzes te maken.

Vertelperspectief

Het perspectief van waaruit u uw verhaal schrijft, heeft veel invloed op het verhaal. Mogelijke perspectieven zijn:

  • Derde persoon (hij-/zij-vorm):
  • Bijvoorbeeld: ‘De man kwam de brug over. Onder zijn arm had hij een vuilniszak met iets erin.’
  • Eerste persoon (ik-vorm):
  • Bijvoorbeeld: ‘Ik ging de brug over. Haar been had ik in een vuilniszak onder mijn arm.’
  • Alwetende verteller:
  • Bijvoorbeeld: ‘Japie ging de brug over. Het been had hij in een vuilniszak onder zijn arm.’

Tijd

Bedenk ook of u uw verhaal beschrijft in de verleden of tegenwoordige tijd.

  • Verleden tijd: U kijkt terug op iets wat gebeurd is.
  • Bijvoorbeeld: ‘Ik ging de brug over. Het been had ik in een vuilniszak onder mijn arm.’
  • Tegenwoordige tijd: De lezer maakt als het ware live mee wat er gebeurt, het verhaal krijgt daardoor urgentie.
  • Bijvoorbeeld: ‘Ik ga de brug over. Het been heb ik in een vuilniszak onder mijn arm.’

Thuisopdracht

Kies één van de beginzinnen uit die als voorbeeld zijn gebruikt in deze les en schrijf het verhaal vanuit het gekozen perspectief. Plaats uw bijdrage in een reactie hieronder, zodat anderen kunnen zien wat u heeft geschreven.

In deel 7 komt het gebruik van dialogen in een verhaal aan bod. Klik hier als u terug wilt naar het overzicht van de cursus.

Geef een reactie

Reacties (7)

  1. Wim Schalken says:

    Ik ga de brug over. Het been heb ik in een vuilniszak onder mijn arm. Gelukkig bijna thuis. Ik ben benieuwd naar de reactie van Elsje. Ik weet zeker dat ze heel blij zal zijn. Potverdikke, het wordt echt tijd dat ik de buitenboel ga schilderen, het groen en blauw zien er niet meer uit. Zo, even de poort opendoen. En ja hoor, Blackie en Floor zijn niet te foppen, goede wakers! “Papa, heb je het gevonden?” klinkt het stemmetje van mijn dochter. Ik houd de vuilniszak trots in de lucht. “Ja schat, gevonden. Ik weet bijna zeker dat ie past.”

    De honden springen uitgelaten tegen me aan alsof ik een hele dag ben weg geweest. Al met al heeft mijn speurtocht nog geen 5 kwartier geduurd. Terwijl ik Blackie en Floor aai met mijn vrije hand, richt ik me weer tot Elsje. “Kom hier dat ik je knuffel. Waar is mama?” vraag ik, terwijl ik de zak op de dichtstbijzijnde tuinstoel leg. “Hier ben ik. Geslaagd?” vraagt Jantien, terwijl ik Elsje optil en beide dames bijna tegelijkertijd kroel. Ik wijs naar de plastic zak. “Goed gedaan jochie” is haar reactie. “Laten we maar meteen gaan, vind je niet?” Ik knik bevestigend. “Kom Els, je schoenen aan, we gaan.” “Heb ik al” antwoordt Elsje.

    Gedrieën stappen we de poort uit en laten de honden alleen achter op de binnenplaats. We gaan rechtsaf richting gracht en lopen langs het terras waar op de kop die vreemde man met zijn opvallende broek en paarse shirt nog steeds aan het bier en de jenever zit. “Shit, zak vergeten. Lopen jullie maar vast door, ik loop terug om de zak op te halen en haal jullie wel weer in”, zeg ik. Thuisgekomen slaan de honden niet aan. Terwijl ik de poort opendoe, waaien de stukken grijs plastic me tegemoet.

    1. Loizza says:

      Leuk! Jammer dat het nu net niet verder gaat…..

  2. Loizza says:

    ‘De man kwam de brug over. Onder zijn arm had hij een vuilniszak met iets erin.

    Een onhandig pakket dat onder de arm vandaan gleed en vervolgens weer omhoog gesjord werd.
    Ik had net mijn drankje afgerekend en, nieuwsgierig geworden, besloot de man te volgen; ik moest toch die kant op.
    Ineens werd de zak blijkbaar echt te zwaar en gleed onder de arm vandaan op de grond, de inhoud prijsgevend.
    Een krokodil?? Mijn verbazing had niet groter kunnen zijn! Een opgezette krokodil, maar zo goed gedaan dat het beest eruit zag of het ieder moment tot leven kon komen.
    De man worstelde om het beest weer in de zak te krijgen en ik stapte erop af: “Zal ik u even helpen?” Hij schrok op, bezig als hij was geweest met alle gedoe en zuchtte: “Graag, waar ben ik aan begonnen?” “Wat een prachtig opgezet dier heeft u daar,” zei ik en bewonderde de leerachtige huid en de doorgroefde kop. “Ja, zei de man, mooi is die wel maar ik heb spijt als haren op m’n hoofd dat ik deze weddenschap heb aangenomen.”
    “Spannend, zei ik, wat voor een weddenschap?”
    “Nou, eigenlijk wil ik het daar helemaal niet over hebben”, zei de man. Hij pakte de zak op, schoof ‘m onder zijn arm en liep door.
    Hè, net iets spannends op het spoor en dan een onwillige prater. Ineens zag ik op straat een glimmend voorwerp liggen dat waarschijnlijk ook in de zak had gezeten. Het bleek een prachtig bewerkt, waarschijnlijk antiek, schaartje te zijn. “Meneer”, riep ik en rende achter hem aan. Hij stond net op het punt een deur binnen te gaan en keek me verstoord aan. “Ik zei u toch dat ik er niet over wilde praten!” Ik liet hem het schaartje zien. Hij verschoot van kleur:”Sjeez!! Asjemenou belazert??”

    PS Toen ik dit stukje geschreven had las ik de nieuwsmail van Het Parool. Laat daar nu een artikel in staan
    over een opgezette krokodil die in een kruipruimte gevonden was. Dat verzin je toch niet? Welnu, ik
    was eerder en stuur derhalve dit stukje gewoon in.

  3. Kuun says:

    Ik ging de brug over. Het been had ik in een vuilniszak onder mijn arm. Het was zó ingepakt dat je kon zien dat het een been was. Niet zo groot als van een volwassene, nee, eerder van een kind. Die grootte.
    Ik voelde me er niet helemaal gerust op omdat, als ik kon zien dat het een “kinderbeen” was, anderen dat natuurlijk ook konden zien! Daarom keek ik tijdens het lopen zo’n beetje om me heen en zag dat de mensen mij echt raar aankeken.
    Ik voelde me steeds ongemakkelijker. Toen zag ik een man naar mij kijken en die pakte zijn mobiel. Ik zag dat hij een kort nummer intoetste en begon meteen te praten. Ook liep hij mijn richting op.
    Zenuwachtig versnelde ik mijn pas richting huis. Toen ik omkeek zag ik de man nog steeds achter mij met zijn mobiel aan zijn oor. Hij keek mij dringend aan.
    Ik heb heus een doodgewone verklaring waarom dat beentje in die vuilniszak zat, maar ik had er natuurlijk geen zin in om die zak, en plein public wellicht in het bijzijn van politie, te moeten openmaken. Het laatste stukje ging ik op een drafje terwijl ik mijn huissleutel uit mijn zak haalde.
    Gelukkig, ik was thuis. Toen voelde ik een hand op mijn schouder en iemand zei: “hee”.
    Ik schrok me dood, maar het was mijn vrouw.
    Van de zenuwen kreeg ik de slappe lach. Zij begreep er niets van.

  4. Cesaria says:

    Ik ga de brug over. Het been heb ik in een vuilniszak onder de arm. Ideeën spoken door mijn hoofd. Ik laat mijn creatieve brein in werking treden. Laat ik beginnen bij het materiaal. Kan ik het gebruiken voor een bepaalde creatie of zijn er geen beperkingen. Ik maak een paar schetsen. Om daarna alles rustig te laten bezinken.
    ‘Koffie graag’ zeg ik aan de ober. ‘Komt er aan’ roept de man. Rondom mij zitten creatieve mensen. Dat voel ik. Het is niet voor niets een kunstenaarscafé. Aan de wand hangt een tekening die mijn aandacht trekt. Het is precies zoals ik het mij heb voorgesteld. Zo zal mijn kunstwerk er gaan uitzien. In gedachte zie ik het kleine beeldje al staan in een woonkamer. In mijn atelier ga ik aan de slag. Ik snij het eerst in stukken. Daarna volgt het modelleren, vijlen en schuren. Het is een hels werk maar zo bijzonder om het te doen. Dat beeldje zal zorgen voor mijn doorbraak . De pers zal genoeg inspiratie hebben om daar iets fraais over te schrijven. Maar ik heb nog werk, veel werk. De ganse dag ben ik bezig geweest. Ik zit onder het stof, mijn handen en armen hangen loodzwaar langs mijn lichaam. ‘Wat een werk’ zucht ik. Maar het resultaat is schitterend, wat zeg ik fenomenaal. ’s Nachts slaap ik slecht. Ik zie steeds het beeldje voor mij staan. ’s Morgens begin ik al vroeg en nog voor de middag is het af. Het voelt goed aan.
    Ik neem het mee naar de academie, naar mijn vroegere leraar. Hij vind het speciaal en ik zie dat hij het meent. ‘Goed gedaan’ zegt hij. Ik vertelde hem over het been, de vuilniszak en hoe het tot stand kwam. Hij keek mij aan en zei: ‘Weet je wat, ik koop het en stel het hier tentoon’.
    Met een warm gevoel ging ik huiswaarts.

  5. Klaasnikov says:

    Beste lezers, “ik wijk enigszins af van het “vuilniszakkenverhaal”. Op de NHL-Stenden gebruiken wij dit format voor onze eigen cursus creatief schrijven. Het onderwerp van het verhaal varieert; deze keer was de basiszin waar wij een verhaal over moesten verzinnen de volgende zin : “Spijtig genoeg heeft de ooievaar uit Sneek helemaal niets met een baby die plast”. Zo’n zin ontstaat doordat elk groepslid een woord mag zeggen en er een zeer ongebruikelijke, ongewone zin ontstaat. Als u nu denkt: “Rare jongens, die Friezen” dan zit daar waarschijnlijk een kern van waarheid in. Ook wij werden niet door de Romeinen overvleugeld. Mocht u niet alles begrijpen – het is in het Fries geschreven – dan kunt u ook de voorleesapp gebruiken. Die leest het in zeer correct Fries (Frysk) voor. Veel plezier!

    De wiete dreamen

    Myn wekker joech 23 minuten oer fiven oan, doe’t ik mei in skok wekker waard en rjochtop yn bêd siet. Alwer dy nuvere dream fan dy earrebarre. Ik fielde oan myn ûnderbroek en oan myn lekkens en ik flokte. Alwer wiet!. Dat wie foar de tredde kear dizze moanne en altyd krekt op itselde stuit, 23 minuten oer fiven. Ik ferskjinne myn bêd mar koe net meer sliepe. “Wat is der dochs mei my oan ’e hân? “, frege ik mysels ôf.
    “Fertel mar ris wat der yn dyn dream bart”, sei de psycholooch dy’t ek sûnt myn studintetiid myn bêste freon wie. “It is tige nuver”, begûn ik. “Yn ’e dream flean ik mei op ’e rêch fan in grutte grize earrebarre. Wy fleane oer myn bertedoarp flakby Snits, ik sjoch dan fan boppe in hiel lyts wyfke dy’t de wask oan ’e line hinget. Wy komme tichterby en ik sjoch dat it myn beppe is. Se glimket nei my. Dan fiel ik ynienen dat it waarm wurd en sjoch nei de wjuk fan ’e earrebarre. Dy stiet yn ’e brân, de skrik falt my op ’e lea, de earrebarre lit my dan falle en ik donderje nei ûnderen ta. Dan wurd ik wetter en haw ik wer yn bêd mige.”
    “Bêdmige is faaks in kwestje fan in minne ‘timing’ “ sei myn freon. “Ek tink ik dasto it te drok hast, de duvel hâld dy dan foar de gek”. “De duvel!”, sei ik, “hoe bedoelsto dat?”. “De grize earrebarre stiet symboal foar de âlde grize grouwe”, sa gong der fierder. “Do jeist dysels tefolle op, dan kostet it ek wat en moatst tol betelje. Yn wêzen spilet der in ynderlik Faustiaansk konflikt yn dy. „Migest do as lyts jonkje ek net faaks yn bêd?”. “No asto dat sa fregest, ik leau dat dat sa wie”, sei ik. Ynienen krige ik in skok fan in tins dy’t troch my hinne skeat. “Myn beppe”, sa fertelde ik myn freon, sei wol ris tsjin my: “Spitigernôch hat de earrebarre neat mei in poppe dy’t miicht“. „Wêrom sei se dat, tinksto?“. „Omdat ik doe al in tige warber en drok mantsje wie”, ornearre ik. “Myn thee dronk ik net iens op en it koekje treaun ik meastal yn ien kear in myn mûle.” No gie der in ljocht op by my, it waard allegear dúdlik. Myn freon de psycholooch glimke my oan. “Ik jou dy in pear tips sei der; doch it wat rêsticher oan en tink nachts better om dyn timing!”. “Hoe kin ik dat lêste no dwaan? “, frege ik. “Set dyn wekker bygelyks om kertier oer fiven en gean der dan ôf om te pisjen”, sei der. “Tige tank foar dyn advys”, sei ik, en stowde de doar út om op tiid te kommen foar myn folgjende ôfspraak. Yn ’e auto seach ik efkes hastich op it klokje; it wie 23 minuten oer fiven, noch 7 minuten om op tiid te kommen foar it putsje by de famylje Ooievaar.

    Herr Klaasnikov

    1. Klaasnikov says:

      “Wetter” (zin 12) moet “wekker” zijn…. en er zullen nog wel enkele flaterkes inzitten, maar; Hawar!…daar geven we niets om.