slavernij

De trans-Atlantische slavernij, een zwarte bladzijde uit de Nederlandse geschiedenis

Op 1 juli 1873 schaft Nederland de slavernij af. Officieel is aan de slavernij al in 1863 een einde gekomen, maar de tot slaaf gemaakten moeten nog 10 jaar gedwongen werken als contractarbeiders. Nederland houdt zich ruim 200 jaar actief bezig met trans-Atlantische slavernij. Afrikaanse mensen worden als handelswaar verscheept, verkocht en gedwongen te werken. Het is een zwarte bladzijde uit de Nederlandse geschiedenis.

Slavernij op lokaal niveau

Slavernij komt al in de oudheid voor en is dus geen relatief nieuw verschijnsel. Afrika kent al eeuwenlang slavernij op lokaal niveau. Tijdens oorlogen worden gevangenen tot slaaf gemaakt. Ook bij schulden of door straf kan iemand worden gedwongen tot slavenarbeid. Sommige van deze tot slaaf gemaakten, komen later weer vrij.

Voor de Europeanen maken de Arabieren gebruik van de Afrikaanse slavenmarkt. Zo zetten zij tot slaaf gemaakte Afrikanen in het zuiden van Portugal in op suikerrietplantages. Deze slaven zijn aangevoerd vanaf de West-Afrikaanse kust. Daarna beginnen de Portugezen met slavenhandel vanaf deze kust. De ‘handel’ wordt beschermd door de aldaar gebouwde forten, zoals het fort São George der Mina, het latere Elmina.

De Europeanen kopen gevangenen van Afrikaanse mensenhandelaren. Die gevangen Afrikanen zijn in de binnenlanden opgejaagd en gevangen genomen, waarna ze worden uitgeleverd aan de Europeaanse slavenhandelaar. De Europeanen vangen de Afrikanen niet zelf: de binnenlanden zijn te gevaarlijk, ze kunnen zich niet goed verdedigen en ze zijn maar met weinig mensen. De gevangen Afrikanen moeten een lange weg lopen tot ze zijn aangekomen bij de Europese forten aan de westkust.

Begin van de Nederlandse slavernij

Nederland wil in de 17e eeuw rijkdom vergaren met koloniën in Noord- en Zuid-Amerika. De Spanjaarden en Portugezen hebben daar al koloniën. Zij verschepen tot slaaf gemaakte Afrikanen om te werken op de suiker-, koffie- en katoenplantages. In 1624 verovert de West-Indische Compagnie (WIC) een deel van Portugees Brazilië, waar vooral suiker op plantages wordt geproduceerd voor de Europese markt. Het werk op die plantages wordt gedaan door tot slaaf gemaakte Afrikanen, maar er ontstaat een tekort aan deze gedwongen werkkrachten. Hierop besluit de WIC om zelf gevangen Afrikanen te kopen. In 1636 worden de 1e tot slaaf gemaakten van de kust van Ghana verscheept naar Brazilië.

De WIC verovert in 1637 een belangrijke handelspost op de Portugezen, namelijk Fort Elmina in Ghana. Nederland heeft vanaf dat moment een machtsbasis op het Afrikaanse continent en gaat zich bezighouden met de handel in Afrikaanse mensen. Ons land verscheept tussen de 550.000 en 600.000 tot slaaf gemaakte Afrikanen. Dat is ongeveer 5 procent van de 12 miljoen tot slaaf gemaakte mensen die tussen de 15e eeuw en de 19e eeuw door de Europeanen zijn verhandeld.

Erbarmelijke omstandigheden

De Europeanen bouwen 76 forten langs de West-Afrikaanse kust, om de gevangen Afrikanen te interneren, alvorens ze op transport gaan. Deze forten zijn gebouwd van het tegenwoordige Senegal tot aan Angola, duizenden kilometers zuidelijker. Nederland verovert en bouwt in de 17e en 18e eeuw diverse forten, waarvan Fort Elmina in Ghana het grootste en belangrijkste is. De tot slaaf gemaakte Afrikanen krijgen een nummer en worden gebrandmerkt. Ze leven in het fort onder erbarmelijke omstandigheden: ze zitten soms weken in een afgesloten donkere ruimte. In die ruimte moeten ze eten en slapen, maar ook hun behoefte doen. In de ogen van handelaren zijn de tot slaaf gemaakte mensen handelswaar. Ze behandelen ze slecht, maar zorgen wel dat de Afrikanen in leven blijven. Al hun menselijkheid wordt hen afgenomen. De tot slaaf gemaakte Afrikanen worden verscheept naar een ander continent, waar ze de rest van hun leven gedwongen moeten werken.

Overvolle schepen

De oversteek naar koloniën over de oceaan is het zwaarste deel van de reis van de tot slaaf gemaakte Afrikanen. Die reis duurt maandenlang. De WIC heeft regels opgesteld over hoe er moet worden omgegaan met de gevangen Afrikanen. Ze moeten voldoende te eten krijgen. Ook hygiëne en medische zorg zijn volgens de richtlijnen zeer belangrijk. Ze moeten zich voldoende kunnen bewegen en er moet ruimte zijn om muziek te maken en te dansen. In praktijk komt daar niets van terecht. De schepen zijn overvol en de mensen kunnen zich nauwelijks bewegen. Uit angst voor verzet, worden de mannen geketend. Vrouwen en kinderen mogen wel vrij bewegen.

Ook het voedsel voldoet niet aan de door de WIC gestelde regels. De tot slaaf gemaakte Afrikanen krijgen wat gort, paardenbonen met spek, palmolie of pepers te eten en wat water te drinken. Hierdoor ontstaat ondervoeding en uitdroging. 1 op de 8 mensen overleeft de reis niet. Vanwege scheurbuik, pokken en tuberculose overlijden zowel tot slaaf gemaakte Afrikanen als Europeanen op het schip. Daarnaast is er sprake van geweld tegen de Afrikanen en vinden er verkrachtingen plaats aan boord. Pogingen om te ontsnappen, mislukken meestal.

Curaçao belangrijk centrum voor slavenmarkt

De Portugezen nemen in 1654 de Nederlandse kolonie in Brazilië terug. De WIC richt zich meer op de trans-Atlantische slavenhandel. Tot 1675 is Nederland verantwoordelijk voor de helft van alle slaventransporten naar Noord- en Zuid-Amerika. In 1634 veroveren de Nederlanders Curaçao op de Spanjaarden. Het eiland wordt vanwege zijn natuurlijke haven en strategische ligging een belangrijke tussenpost in de Nederlandse slavenhandel en dient als versterking van de Nederlandse handelspositie in de Caraïbische Zee. Curaçao wordt een belangrijk centrum voor de slavenmarkt. Nederlanders verkopen daar tot slaaf gemaakte Afrikanen aan Spanjaarden, Portugezen, Engelsen en Fransen. Mannen worden meestal gescheiden van hun gezin verkocht. De inkoopprijs van een man bedraagt ongeveer 40 gulden en brengt bij verkoop 200 gulden op. Ze worden opnieuw gebrandmerkt, vaak met de initialen van de slavenhouder. Het brandmerk maakt het moeilijker om te vluchten.

Een deel van de tot slaaf gemaakte Afrikanen blijft op het eiland. Ze laden en lossen goederen, verzorgen het vee en telen gewassen. Zij die werk moeten doen als timmerman of metselaar, hebben het iets beter. Een aantal kan zich later vrijkopen, door te sparen van een klein deel van de opbrengst die zijn zelf mogen houden. De tot slaaf gemaakte Afrikanen hebben geen rechten.

Opstand onder leiding van Tula

Op 17 augustus 1795 komt een grote groep in opstand, onder leiding van Tula. Hij vindt dat Nederland in navolging van Frankrijk de slavernij moet afschaffen. Vanwege de economische crisis krijgen de tot slaaf gemaakten te weinig te eten en moeten ze werken op zondag. Tula: “Wij zijn al te zeer mishandeld, we willen niemand kwaad doen, maar willen onze vrijheid.” Hij legt op plantage Kenepa op Curaçao het werk neer, waarna ongeveer 2.000 mensen hetzelfde doen.

Deze gewapende strijd duurt meer dan een maand en wordt uiteindelijk bloedig neergeslagen. Tula en enkele andere leiders van de opstand worden vervolgens berecht en op een vreselijke manier ter dood gebracht. Het hoofd van Tula wordt ter afschrikking op een stok geplaatst. De anderen moeten terug naar de plantages en er wordt als straf een deel van een oor afgesneden. De opstand brengt wel enige veranderingen teweeg. Zo hoeven de tot slaaf genaakten niet meer te werken op zondag. De slavenhouders moeten zorgen voor beter voedsel en kleding, om opstanden in de toekomst te voorkomen. Tula wordt in 2010 op Curaçao uitgeroepen tot een nationale held.

Verovering Caribisch gebied

Naast Curaçao verovert Nederland in de 17e eeuw nog 5 eilanden in het Caribisch gebied: Aruba en Bonaire, de Benedenwindse Eilanden en Sint Maarten, Saba en Sint Eustatius, de Bovenwindse Eilanden. Sint Eustatius wordt vanaf 1720 het centrum voor de Nederlandse slavenhandel in het Caribisch gebied. De slavenhandel brengt minder geld op en de tot slaaf gemaakten worden ingezet om van suikerriet rum en stroop te maken. De tot slaaf gemaakten werken op kleine plantages, omdat de eilanden niet geschikt zijn voor grote plantages. Ze moeten voedsel verbouwen, het vee verzorgen of in de haven werken. Vrouwen werken op het land of werken als naaisters, huishoudsters of prostituees. Op Bonaire en Sint Maarten moeten tot slaaf gemaakten zout winnen. Sommigen proberen te vluchten met een bootje of door naar een ander eiland te zwemmen. Een deel van hen komt om het leven bij de poging om vrij te zijn.

Slavernij in Suriname en driehoekshandel

In de 18e eeuw verliest Nederland zijn machtspositie in de slavenhandel. De aandacht wordt verlegd naar Suriname, dat vanaf 1667 een Nederlandse kolonie is. Er worden tussen de 200.000 en 300.000 tot slaaf gemaakte mensen naar toe vervoerd. Mannen en vrouwen verrichten zwaar werk op de suiker-, katoen- en koffieplantages. Verzet wordt bestraft met lijfstraffen en het sterftecijfer is hoog. De Nederlandse slavenhouders zien de tot slaaf gemaakten als minderwaardig en vinden dat de witte cultuur superieur is.

De tot slaaf gemaakten ontwikkelen een eigen cultuur, die is gebaseerd op West-Afrikaanse tradities. Sommigen zijn meer waard dan anderen, zoals timmerlieden, huishoudsters en opzichters. Zij worden ook beter behandeld. Ook ligt de waarde van nakomelingen hoger van de tot slaaf gemaakten in Suriname. De slavenhouders zien hen als ‘gewilliger’. Kinderen geboren uit een relatie tussen een witte man en een zwarte vrouw hebben meer kans zich vrij te kopen dan anderen. Ze hebben een lichtere huidskleur en krijgen betere posities op de plantages. Sommige tot slaaf gemaakten weten te vluchten naar de jungle en stichten daar nieuwe leefgemeenschappen. Het komt geregeld tot confrontaties tussen deze marrons en de kolonisten.

Nederland vergaart rijkdom tussen de 17e en 19e eeuw door de driehoekshandel tussen Nederland, West-Afrika en de Nederlandse koloniën. Schepen varen vanuit Nederland met drank, textiel, buskruit en wapens naar West-Afrika. Met die goederen worden gevangen Afrikanen gekocht, die worden verhandeld in Suriname of op de Antillen. De schepen keren terug naar Nederland met goederen van de plantages. In de 18e eeuw is 5 procent van het bruto binnenlands product afkomstig uit slavernij. Dit is niet alleen geld uit de slavenhandel, maar ook om geld dat is gegenereerd uit de producten die een tot slaaf gemaakte produceert. In dat percentage zijn ook de verdiensten van de toeleveranciers gerekend.

Afschaffing slavernij en excuses

Aan de legale slavenhandel komt officieel een einde in 1814. De slavernij is in Nederland pas in 1863 afgeschaft. Nederland is één van de laatste Europese landen die dat doet. Zo’n 33.000 in Suriname en ongeveer 11.000 tot slaaf gemaakten op de Antillen zijn vrij. De slavenhouders krijgen een financiële vergoeding van de staat. De voormalige tot slaaf gemaakten moeten echter nog 10 jaar gedwongen werken als contractarbeider. Pas in 1873 komt daar een einde aan en is de Nederlandse slavernij voorbij.

Premier Mark Rutte biedt namens de Nederlandse regering op 19 december 2022 excuses aan voor het Nederlandse slavernijverleden. Voor het eerst omschrijft een Nederlands kabinet de slavernij als “misdaad tegen de menselijkheid”. “Wij, levend in het hier en nu, kunnen slavernij alleen in de allerduidelijkste bewoordingen erkennen en veroordelen als misdaad tegen de menselijkheid. Als een misdadig systeem, dat wereldwijd onnoemelijk veel mensen onnoemelijk veel en groot leed heeft gebracht”, zegt Rutte. Het kabinet zegt een fonds toe van 200 miljoen euro voor “maatregelen op het terrein van bewustwording, betrokkenheid en doorwerking”. Ook komt er een nationaal slavernij museum.

De afschaffing van de slavernij wordt jaarlijks herdacht op 1 juli, tijdens Keti Koti. Hetgeen Ketenen Verbroken betekent. Op veel plekken in Nederland wordt dan stilgestaan bij het Nederlandse slavernijverleden.

Minister Franc Weerwind en Mark Rutte leggen een krans

Op 1 juli 2023 is het 150 jaar geleden dat de Nederlandse slavernij echt ten einde is gekomen. Vanaf die datum is hier in het hele koninkrijk extra aandacht aan besteed tijdens het Herdenkingsjaar Slavernijverleden. Koning Willem-Alexander, koningin Máxima, premier Rutte en een delegatie van het kabinet zijn op zaterdag 1 juli 2023 aanwezig geweest bij de herdenking bij het Nationaal monument slavernijverleden in het Oosterpark in Amsterdam-Oost.

Keti Koti op radio en tv

De NOS zendt maandag 1 juli 2024 ’s middags de herdenking rechtstreeks uit op radio en televisie; ’s avonds staat het vieren centraal in een tv-uitzending vanaf het Museumplein. In de uitzendingen wordt uitgebreid stilgestaan bij het Herdenkingsjaar Slavernijverleden, dat in 2023 is afgekondigd.

  • NOS Herdenking Slavernijverleden, maandag 1 juli 13.30-15.30 uur, NPO 1 (en wereldwijd via BVN)
  • NOS Keti Koti 2024, 19.28-19.55 uur, NPO 2 (en 22.15-22.40 uur wereldwijd via BVN)
  • NOS Herdenking Slavernijverleden, 13.30-15.00 uur, NPO Radio 1

Dit artikel is eerder gepubliceerd en is door de redactie aangepast op 28 juni 2024.

(Bron: Lab.nos.nl, NOS.nl, Nationaalarchief.nl, NPOkennis.nl, CanonvanNederland.nl, Wikipedia. Foto’s: ANP, Shutterstock. Hoofdfoto: Dutchmen Photography / Shutterstock.com)

Geef een reactie