Een gibbon als wekker

Wanneer ik ‘s morgens mijn eerste ronde door het ARTIS-park loop, dan zou ik dat met mijn ogen dicht kunnen doen. De ochtend is piekuur voor het horen van dierengeluiden.

Aan de grote vijver wordt het eerste lied van de ochtend ingezet door het paar goudwanggibbons. Ze zijn voor de gelegenheid naar de top van de hoogste boom geklommen om hun luide roep met de hele buurt te delen. Langgerekte galmende tonen, zo hoog als in een aria worden door de gibbons over de hele buurt uitgestrekt. Het volume van hun samenzang is voldoende om met gemak tot aan de stoepen van de Stopera te reiken.

Ik loop verder door het park, en maak een stop bij een muzikaal stel vogels. De kuifseriëma’s maken iedere morgen op overtuigende wijze duidelijk dat ze wakker zijn. Muzikale talenten zijn het niet, hun roep lijkt meer op een schel gelach. En een hard gelach! Het schelle lachen klinkt zo luid, dat je het in de buurt van de Amstel nog kunt horen.

Ik wandel naar de volière van de zuidelijke hoornraven. De mannelijke hoornraaf maakt zich klaar voor zijn lied. Hij buigt zijn kop naar voren, blaast zijn keelzak vol lucht en slaakt drie oerdiepe kreten. ‘HOE HOE HOE’, klinkt het. Naadloos volgt de vrouw met haar antwoord. Het is bijna hetzelfde lied, alleen zingt ze iets hoger en aan het einde gooit ze er een leuke roffel tegenaan. ‘HOE HOE oe oe oe oe’. Het is een spel van vraag en antwoord.

De ochtend is het moment waarop je kunt laten weten dat je er bent. Alle genoemde dieren zijn namelijk territoriaal. Dit betekent dat ze een grondgebied hebben dat beschermd moet worden tegen soortgenoten. In het wild hebben deze soorten een immens territorium. Daarom hebben de dieren zo’n luide roep. Een gibbonstel roept hun soortgenoten een paar hectaren verderop en meldt dat ze niet te dicht in de buurt moeten komen. In de tropische bossen wordt hun geluid door de dichtbegroeide bomen gedempt. Het is dus zaak om als gibbon in de toppen van een boom te klimmen, om zo over het bladerdek heen te kunnen galmen.

Het mooie is dat alle genoemde dieren samen zingen. Bij de kuifseriëma’s verloopt het lied tussen man en vrouw volledig synchroon. En bij de goudwanggibbons en zuidelijke hoornraven is het een duet van vraag en antwoord. Maar ze zingen ook voor elkaar, niet alleen voor de buren. Hoe preciezer de samenzang, hoe sterker de band.

Dat samenzang de band versterkt, wordt bevestigd wanneer er een schoolklas luidkeels zingend voorbij komt. De juf zet in, en de kinderen nemen het lied over. Het park gaat bijna open. Zou het voor ons ook kloppen dat muziek relaties kan versterken? Het moet wel zo zijn. In alle voetbalstadions worden clubliederen door duizenden tegelijk meegezongen. Ook in kerken en bij concerten zingen mensen samen. Veel mensenstellen hebben een ‘eigen liedje’. Misschien is muziek een natuurverschijnsel? Voor mij staat dat wel vast.

Geef een reactie