40 jaar in het vak

Toen ik in 1974 basisarts werd kon ik gelijk aan het werk als huisarts. Dat deed ik ook, zonder enige verdere opleiding. Op donderdag 2 mei 1974 kreeg ik mijn artsenbul en in het weekend erna deed ik mijn eerste weekenddienst in Enschede. Ik vond het geweldig spannend, maar of het verantwoord was… Nu is het een driejarige vervolgopleiding, met vaak nog een paar jaar in een ziekenhuis of op een spoedeisende hulppost. Ik heb zelf die huisartsopleiding dus niet gevolgd, maar heb wel sinds 1981 een stuk of 20 huisartsen opgeleid. Van lesgeven leer je het meest.

In de loop der jaren is er een hoop veranderd. Vroeger werd iedere diabetes patiënt naar de internist verwezen. Tegenwoordig zijn bijna alle diabetespatiënten bij de huisartspraktijk onder behandeling. En de praktijkverpleegkundige haar intrede gedaan: chronische ziekten als diabetes, hoge bloeddruk, COPD en hartfalen worden meestal in de huisartspraktijk begeleid door die praktijkverpleegkundigen. Dat is mogelijk omdat we veel beter dan vroeger weten wat de beste behandeling is voor deze ziekten. In de jaren 80 werden de eerste wetenschappelijke richtlijnen voor huisartsen gemaakt door het Nederlands Huisartsen Genootschap en sindsdien zijn die er voor meer dan 100 ziektes. De huisarts kan dus altijd volgens de laatste inzichten (be)handelen. Destijds kon men als huisarts maar weinig bloedonderzoek laten verrichten en ook geen scopie aanvragen en zelfs maar beperkt een aanvraag indienen voor röntgenfoto’s.

In mijn praktijk kan een patiënte een ECG laten maken, de longfunctie laten meten, bloedvaten doormeten, spiraaltjes laten zetten en bobbeltjes laten wegsnijden. Sommige huisartsen doen zelfs sterilisaties bij mannen,  behandelen spataderen of voeren ooglid correcties uit. We noemen dat wel anderhalfdelijnszorg, dus tussen de huisarts in de eerste lijn en de specialist in de tweede lijn in. Als men daarin als huisarts bekwaam is dan is dat een stuk goedkoper dan in het ziekenhuis.

Mensen zijn tegenwoordig beter geïnformeerd. Meer dan de helft van de patiënten die op mijn spreekuur komen, heeft zelf al even gezocht bij ‘Dokter Google’. Dat maakt het makkelijker, want dan hoef ik een aantal dingen al niet meer uit te leggen. Anderzijds is het niet altijd eenvoudig om op internet de juiste betrouwbare bronnen te vinden. Er is ook veel onzin en kwakzalverij te vinden en dat is wel eens moeilijk te corrigeren. Dan eisen mensen een behandeling die helemaal niet geschikt is voor hun kwaal. Anderzijds is het huisartsenvak nog steeds hetzelfde als 40 jaar terug: men heeft ergens last van en kan meestal binnen een dag bij de dokter terecht. Die zoekt samen met u uit wat het kan zijn en of het kwaad kan. De huisarts kent u, kent uw medische verleden, uw familie en uw achtergrond. Op die manier lost de huisarts 95% van alle medische problemen.

Het grote verschil is wel de manier van werken. Vroeger werkte de dokter alleen en had praktijk aan huis. Je was 7 dagen  per week en 24 uur per dag beschikbaar. Nu werken dokters vaak samen en delen de zorg met elkaar. Met de komst van de huisartsenposten hoeft de dokter niet meer altijd bereikbaar te zijn en wordt informatie razendsnel uitgewisseld. Ik schreef vroeger een verwijsbrief met de hand, nu gaat het elektronisch naar het ziekenhuis en alle verslagen komen ook binnen op mijn computer. Voor een spoedgeval werd ik vroeger met een semafoon opgepiept en dan moest ik een telefooncel zoeken om naar huis te bellen, waar mijn vrouw achter de telefoon zat te wachten tot ik mij zou melden. De communicatie is dus in de loop der jaren sterk verbeterd.

Geef een antwoord