Voorjaar in de polder

De tijd dat je op het platteland je neus maar buiten de deur hoefde te steken om de kieviten door de lucht te zien buitelen, terwijl de veldleeuwerik als aan een draadje hoog aan de hemel hing te zingen, ligt ver achter ons. In veel weidegebieden heerst de inmiddels voorspelde “silent spring”. Deze weilanden worden intensief bemest en bijna elke maand gemaaid waardoor het gladgeschoren biljartlakens zijn geworden. Je vindt er minder vogels dan op een  doorsnee voetbalveld. Maar hier en daar zijn ze nog wel te vinden, de weidevogeleldorado’s. Het zijn de levende openluchtmusea van ruim een halve eeuw geleden en ik neem u, op een mooie voorjaarsochtend mee naar een hoekje in de Arkemheense Polder. Hier heeft de vooruitgang nog niet toegeslagen. We gaan zitten aan de oever van een slootje, een slootje waar nog water in staat. Een zitmatje is nodig want de oever is drassig en vochtig en we kijken in het vroege voorjaar uit over een drassig weiland.

De ruimte boven het weiland, de lucht, is het theater waar zich het opvallendste deel van onze voorstelling zich afspeelt. Op de grond word je niet gezien of gehoord en daarom zijn alle bewoners van het polderland luchtdansers, stuntvliegers of zelfs kamikazepiloten.

Daar in de verte langs de slootkant zien we een van de opvallendste bewoners van het weidegebied: de slobeend. Als heldere stippen in het weideland zitten de mannen met hun witte borsten te stralen op de oever. Plotseling vliegen twee slobeendmannen elkaar na en even later jakkeren ze achter een vrouwtje aan. Het doet denken aan “slobeendvrouw zoekt man”, want het wordt een heuse “coopertest”. De twee mannen jagen urenlang achter het wijfje aan, soms zwenken ze omhoog, dan weer omlaag en af en toe komt er zelfs een derde man bij. Maar uiteindelijk zal ze de sterkste en hardnekkigste achtervolger kiezen en die mag straks op wacht gaan staan als zij verstopt in de oever de eieren uitbroedt.

Er beweegt iets bruins onder in de oeverrand. In de verrekijker vang ik een kleine bruine vogel met een in verhouding veel te lange snavel; een watersnip. Als ik een watersnip ontdek voordat hij wegvliegt is dat goed voor mijn vogelaarsego, want ze hebben zo’n perfecte schutkleur dat ze nauwelijks te ontdekken zijn. Ik zie twee tureluurs haastig achter elkaar aan lopen of beter gezegd de achterste zit de voorste achterna en dat heeft alles met seks te maken. Het mannetje wil paren en loopt uren soms wel dagen achter zijn vrouwtje aan, totdat zij ook mee wil doen. Eindelijk staat ze stil en pal voor mijn neus gebeurt er iets heel bijzonders. Want tureluurs maken er een prachtige liefdesshow van. Het mannetje staat achter het vrouwtje met gespreide vleugels en met trillende vleugelpunten stijgt het mannetje, als een soort minihelikopter langzaam op. Vervolgens komt de “trommelscène” en “masseert” hij met snel trillende pootjes de rug van mevrouw. Ze duikt niet weg maar blijft staan en de paring vindt plaats. Dat alles gaat gepaard met een heftig en versnellend “tu-tu-tuu”-geroep waar zij dus niet tureluurs van wordt maar juist geïnspireerd door raakt! Wat een prachtig schouwspel.

Ik ga een poosje op mijn rug liggen, want hoog in de lucht hoor ik van alles. Een zingende veldleeuwerik, ik zie de kantelende baltsvlucht van de grutto en overal buitelende kievitmannen.

Hoog in de lucht hoor ik een geluid dat me als muziek in de oren klinkt. Het geluid zelf klinkt als een zuchtend gezoef, maar ik weet wie het maakt en hoe het gebeurt en ik krijg er een heel warm, blij gevoel bij. Het is de “baltssound” van de watersnip. Af en toe zit het mannetje ook wel op een paaltje te “kekken”, maar dat is niet zo imposant. Watersnippen kennen een kunstje dat geen enkele andere weidevogel in ons land kent. Terwijl de watersnip een rondje vliegt van enkele honderden meters doorsnee, zie ik hem af en toe naar beneden duiken en hoor ik de “watersnippenzang”! In de boekjes staat dat ‘de watersnip zijn buitenste staarpennen in trilling brengt en daarmee een blatend geluid voortbrengt’, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Maar dat is het natuurlijk helemaal niet. Hoe kom je als watersnipman in vredesnaam op het idee om de staartpennen in duikvlucht zo te laten trillen dat je vrouwtje daarvan helemaal in vervoering raakt en waardoor alle andere watersnipmanen weten dat dit jou gebied is? Wat een fantastische uitvinding: op je staart fluiten!

Geef een reactie

Reactie

  1. bkraan says:

    Behalve 2 spelfouten op het einde, 1x staarpennen i.p.v. staartpennen en jou gebied i.p.v. Jouw gebied (jij gebiedt maar het is jouw gebied) heb ik genoten van deze column zoals ik ook heb genoten van de serie baardmannetjes.

    Dit is voor niet-vogelaars een laagdrempelige manier om meer over deze fascinerende dieren te weten te komen.