Paul Rem: ‘Bijna niemand kan ijspret zo goed vastleggen als Hendrick Avercamp’
Publicatiedatum: 18 februari 2026
Februari 2026: de hele wereld even in de ban van de Olympische Winterspelen. Even allemaal in een bubbel die niets te maken heeft met politieke spanningen. En als de Spelen voorbij zijn, richten wij ons weer op het voorjaar. We zien door de natte sneeuw heen de eerste sneeuwklokjes verschijnen. Dat was vroeger wel anders zoals te zien is op de schilderijen met winterse taferelen van Hendrick Avercamp.
Vroeger was…
Als man van middelbare leeftijd mag ik graag bij mijn kinderen opscheppen over de lange winters uit onze jeugd. Dat schaatsen op een slootje, de kou, de bevroren vingers, de roze lucht aan het einde van de middag, het geluid van de ijzers op het ijs. Ik herinner mij het als een soort oer-gevoel van één zijn met de elementen, de opkomende honger en het verlangen van koek en zopie, van een kadetje oude kaas, een warme worst, een neutje…
Een totaalbeleving dat alleen sporten in de natuur kan opleveren. Als ik weer ontwaak uit mijn jeugdfantasie, dan weet ik dat er echt niet elk jaar ijs lag of dat je kon schaatsen. Maar wat wèl zo is: je hoeft maar één keer in het seizoen op natuurijs te hebben geschaatst om het idee te hebben: het was een échte winter! Een mens moet tegenwoordig smeken en bidden om sneeuw en ijs. De laatste Elfstedentocht werd in 1997 gereden. Bijna 30 jaar geleden! In 2012 kwam het er bijna van en er zijn heus nog wel korte periodes dat we de schaatsen kunnen onderbinden, maar de jongste generatie groeit niet op met het plezier dat winterpret geeft.
De Klein IJstijd
IJs en sneeuw zijn niet meer vanzelfsprekend. Het is daarom onvoorstelbaar dat van 1550 tot 1850 de Kleine IJstijd noordwest Europa teisterde. De zomers waren toen relatief koel en de winters lang en streng, met veel sneeuw en ijs. Dat gaf enorme problemen, want Nederland is een land van water, dus de vaarroutes voor grote en kleine handelsschepen waren bevroren. Een deel van het openbare leven lag jaarlijks maandenlang stil, mensen raakten depressief.
Hendrick Avercamp
De extreem strengste winters kwamen voor tussen 1600 en 1625. En dat is nou precies de tijd waarin de kunstschilder Hendrick Avercamp zijn beroemde ijsgezichten schilderde. Hij schilderde niet zo’n winterscène voor de afwisseling, maar hij specialiseerde zich in ijsgezichten, omdat iedereen er zo direct mee te maken had. Avercamp was één van de eersten, zo niet de eerste die zich hierin specialiseerde. In elk groot museum hangt wel werk van Avercamp, maar we kennen zijn wintergezichten vooral ook van de traditionele kerstkaarten.
Avercamp werd geboren in Amsterdam, maar vlak na zijn geboorte ging hij met zijn ouders naar Kampen. Misschien ook daarom de naam Kampen in zijn eigen naam. Hij was overigens niet alleen bekend bij de naam Avercamp, hij had ook een bijnaam: de ‘Stomme Van Kampen’. Avercamp was namelijk doof.
Schilderen van ijspret
Toen hij als jonge schilder weer naar Amsterdam terugkeerde, ging hij zich helemaal toeleggen op het schilderen van ijspret. Misschien ook omdat hij zo genoten had van zijn eigen schaatstochten in de omgeving van Kampen? Hij wits dat hij met zijn ‘ijsgezichten’ goud in handen had, want dit was een onderwerp dat iedereen aansprak. Op het ijs is namelijk iedereen gelijk! Rijk, arm, hoog en laag, elite, burgers en buitenlui, alles vermaakt zich op een manier die boven henzelf uitstijgt. Want bevroren water is van niemand en dus van iedereen.
En daarom is het zo’n plezier om Avercamps schilderijen te bekijken, als is het maar op de laptop of mobiel, want kijk eens hoe Avercamp het schaatsende publiek schilderde: een rijk uitgedoste schaatser met een gepluimde hoge hoed. Gezellige paartjes zwieren rond, er wordt houtgehakt, jongens spelen een soort ijshockey, een vrouw is gevallen en toont haar blote achterwerk, er zakken mensen door het ijs, een kerel staat te pissen tegen een schutting, een recht opstaand bootje doet dienst als Dixie, er is een sneeuwballengevecht en een jongetje zit op een prikslede… Kunst is net als ijsvermaak: het is bestemd voor iedereen! Maar laat het voorjaar nu maar komen…
Paul Rem is architectuur- en kunsthistoricus en conservator op Paleis Het Loo. Hij is bestuurslid van diverse musea, internationaal erkend expert ‘Oude meubelen’ en lid van het ‘TEFAF vetting committee’. Regelmatig schuift hij aan als tafelgast in Tijd voor MAX. Maak ook eens een stadswandeling langs de Nederlandse bouwkunst met Paul Rem. Lees hier al zijn columns.
(Foto: ANP)
