Kleuterklas in 1922

Omroep: MAX

Duur: 0:02:29

Uitzending: zo 1 jan 1922 01:04

0:02:29

Kleuterklas in 1922

0:15:53

50-jarig bestaan Rotterdamse School Vereniging

0:00:46

Melk drinken op school

0:02:03

Tekort aan schoolgebouwen

0:01:12

De kleinste school van Noord-Holland

De geschiedenis van het onderwijs in Nederland

Van aap, noot, mies naar computers in de klas en van krijt en lei naar tablet. Het onderwijs in Nederland heeft in de loop der eeuwen flinke veranderingen ondergaan. Is onderwijs in het verleden voor kinderen van adel en de gegoede burgerij, tegenwoordig kennen we onderwijsplicht voor ieder kind. Niet alleen wie er les krijgen en op welke manier is veranderd, ook de omgang met de juf en de meester heeft een andere invulling gekregen.

Vroeg aan het werk

Het is in de 8ste eeuw wanneer de Frankische koning Karel de Grote bepaalt dat alle Frankische jongens, onder wie Nederlandse, naar school moeten. In praktijk blijkt dat dat lang niet voor iedere jongen geldt: zeker op het platteland wordt het belang van onderwijs onderschat. De investering van onderwijs moet zich in de toekomst bewijzen, terwijl de meeste kinderen al vroeg aan het werk gaan om de familie te helpen het hoofd boven water te houden.

Er zijn parochiescholen en elke parochie moet een schoolmeester aanstellen hetgeen er in praktijk op neer komt dat de koster een aantal jongens leert lezen en schrijven. Lezen, schrijven, zingen en bidden wordt de leerlingen bijgebracht met harde hand.

Religieuze eenheid

Doel van Karel de Grote voor deze alfabetisering is de verspreiding van het christelijke geloof. Het lezen van de bijbel is daarom een belangrijke manier om dat geloof onder de aandacht te brengen en zo een religieuze eenheid in zijn rijk te creëren.

De gang naar het klooster is voor een jongen in die tijd een keuze voor het leven. In de 12e eeuw trekken mensen naar steden. Door de bevolkingstoename en de economische groei die daarmee gepaard gaat, heeft men behoefte aan geschoolde burgers. Het onderwijs is dan nog voornamelijk in handen van de geestelijken en om handel en ambtenarij te bevorderen laten ze jongens toe.

Kloosterschool

In zo’n kloosterschool volgen die jongens zowel onderwijs in de onder- als in de bovenbouw. In de eerste fase ligt de aandacht vooral op lezen, schrijven en zingen. Latijn is voor verdere ontwikkeling onontbeerlijk: elke vervolgstudie is in deze taal. In de bovenbouw wordt de aandacht uitgebreid op het gebied van de taal en de wiskunde. Een (universitaire) vervolgstudie is dan voor een enkeling weggelegd die bijvoorbeeld rechten of theologie kan studeren. Het wordt in die periode voor meer kinderen mogelijk zich te ontwikkelen zonder daarbij voor het leven een klooster in te moeten.

Stylus en wastafel

In de middeleeuwen zijn er weinig boeken, aangezien die nog met de hand worden geschreven. Leraren lezen teksten en psalmen voor en de leerlingen leren die dan uit het hoofd. Schrijven gebeurt met een ganzenveer en inkt wat in het begin nogal problemen oplevert. Leerlingen oefenen daarom met een schrijfstift op een wastafel. Dit is een plaatje van hout of metaal waarop een waslaag is aangebracht. Met een metalen stift, een stylus, kerven de leerlingen de letters in een wastafel. Met de platte achterkant kunnen ze de geschreven letters wegkrassen om de wastafel opnieuw te gebruiken.

Zingen is een belangrijk vak. Als tegenprestatie voor het onderwijs moeten de leerlingen namelijk in een koor zingen en kerkbezoeken afleggen. Die leerlingen hebben het niet gemakkelijk, aangezien lijfstraffen met roede of stok de normaalste zaak van de wereld zijn.

Het niveau van de scholen verschilt flink. De kwaliteit van het onderwijs hangt vooral af van de kennis van de leraar.

Parochiescholen

In de 14e, 15e en 16e eeuw komen er steeds meer dorpen en steden bij en groeit het aantal mensen. Er verschijnen parochiescholen waar kinderen les krijgen van een pastoor. Vanaf die tijd ontstaan dorpsscholen, stadsscholen en bijscholen en stadsbesturen richten Latijnse scholen en Groote scholen op. De bijscholen zijn voor jonge kinderen, dus ook voor meisjes, op een laag niveau. Deze scholen passen hun programma aan aan de vraag uit de samenleving. De voertaal is Nederlands en Latijn wordt niet als vak aangeboden.

In de 16e eeuw ontstaat de religieuze strijd tussen de protestanten en de katholieken. Hierdoor mogen katholieken geen les meer geven. Kinderen krijgen les vanuit een protestantse visie en katholiek lesmateriaal is verboden.

Ezelsbord, schandbord en pechvogel

Er zijn dan nog geen echte scholen. Leraren geven les in de gebouwen die voorhanden zijn. Het is er vaak onhygiënisch en veel kinderen worden ziek op school. Alle leeftijdsklassen zitten door elkaar. Leerlingen leren zelfstandig en de oudere kinderen helpen de jongere kinderen. Leraren ontvangen alleen loon voor kinderen die naar school gaan en in de jaarlijkse oogsttijd bezoeken maar weinigen de klas.

Ook in deze tijd gaat het geven van onderwijs gepaard met harde hand: lijfstraffen zijn normaal en domme leerlingen moeten rondlopen met een zogenaamd ezelsbord. Kinderen die liegen, stelen of onbeleefd zijn, moeten van de leraar het dorp door met een schandbord. Kinderen die vervelend zijn, krijgen de pechvogel naar zich toegegooid. Een pechvogel is een stoffen vogel gevuld met zaagsel of erwten. De leerling moet de pechvogel naar de leraar terugbrengen en krijgt slaag met de plak: een houten stok die op de vingers en de knokkels van de leerling wordt geslagen. Pas in 1820 wordt het lijfstraffen bij wet verboden.

In de Gouden Eeuw is Nederland rijk en er wordt relatief veel geld besteed aan onderwijs. Door de gigantische groei van de economie is onderwijs een noodzaak. Als de Gouden Eeuw ten einde loopt en de economie slechter draait, neemt ook de noodzaak voor onderwijs weer af.

Pas met de industrialisering vanaf de 18e eeuw is er weer een toename te bespeuren. Toch is in het midden van de 19e eeuw een minderheid in de West-Europese geïndustrialiseerde landen geletterd.

Verlichting

Onder invloed van de Verlichting verandert de opzet van de school in de 18e en 19e eeuw. Het idee is dat kinderen door goed onderwijs brave en productieve burgers worden. Er ontstaan armenscholen. Niet het onthouden door het opdreunen ervan, maar inzicht in en samenhang van lesstof staat centraal. Het kind wordt gezien als een kind en niet als een jongvolwassene.

In de 19e en 20e eeuw breekt in Nederland de schoolstrijd uit. Dit is een ideologische strijd over de vormgeving van het onderwijsbestel. Onder Frans bewind is er een strenge scheiding van kerk en staat, waardoor scholen met een religieuze inslag geen subsidie meer krijgen. In 1848 komt er een bestel van openbare en bijzondere scholen. Openbare scholen vallen onder verantwoordelijkheid van het rijk en bijzondere scholen, zoals religieuze scholen, onder verantwoordelijkheid van ouders die zitting nemen in schoolbesturen. Pas in 1917 ligt in de wet vast dat de overheid zowel openbare als bijzondere scholen financiert.

Grote vakantie

In 1874 besluit de overheid dat kinderarbeid verboden is. Door de weinige controle neemt de kinderarbeid niet af. Dit gebeurt pas als de overheid in 1901 de leerplicht invoert. Daardoor moeten kinderen tussen de 6 en de 12 jaar verplicht naar school. Er kunnen uitzonderingen worden gemaakt: tijdens bijvoorbeeld de aardappeloogst mogen kinderen verzuimen. Later komt hiervoor de grote vakantie (vakantie van 6 weken) in de plaats.

Aap, noot, mies

Het leesplankje doet rond 1900 zijn intrede. Het meest bekende stamt uit 1906 die begint met ‘aap, noot, mies’. De tekeningen zijn van Cornelis Jetses, die ook de tekeningen verzorgt van de bekende leesboekjes Ot en Sien. De ganzenveer is vervangen door de kroontjespen en de inktpot. In klad werken de kinderen met lei en krijt.

Er zijn nog steeds strenge regels. Kinderen moeten rechtop zitten met de armen over elkaar, 2 aan 2 naar buiten gaan, luisteren, hun mond houden en 2 vingers opsteken voor de gang naar het toilet. De klassen bestaan uit ongeveer 50 leerlingen. Alleen kinderen die alle lesstof tot zich hebben genomen, mogen naar de volgende klas.

Lokalen krijgen een kolenkachel en een schoolbord. De lokalen hebben hoge ramen van wel 4 meter hoog, om zo veel mogelijk licht binnen te laten. Er is wel gasverlichting aanwezig. De kinderen zitten meestal 2 aan 2 met het raam aan de linkerkant, omdat de meeste kinderen met rechts schrijven.

In de loop van de 19e eeuw ontstaat er behoefte aan voortgezet onderwijs als voorbereiding op een beroep. In 1863 komt de Wet op het middelbaar onderwijs tot stand. Deze wet voorziet naast de hbs (hogere burgerschool voor handel en bedrijf), en de mulo (meer uitgebreid lager onderwijs), in landbouwscholen en de polytechnische school voor ingenieurs. In de 20e eeuw komen er meer schoolsoorten voor voortgezet onderwijs en specifieke beroepsopleidingen bij.

Tot de 19e eeuw kan echt iedereen onderwijzer worden. De onderwijzer leert zijn vak aan een leerling, die vervolgens zelf het vak beoefent. Er zijn onderwijzers die zelf nauwelijks kunnen lezen en schrijven. De eerste kweekscholen ontstaan in 1806. Iedereen die onderwijzer wil worden, moet vanaf dat moment een examen afleggen.

Hoger onderwijs

Het hoger onderwijs in Nederland kent een lange traditie. De oudste universiteit is die van Leiden. De stad krijgt in 1575 toestemming van de Staten-Generaal om een universiteit op te richten. Hoger onderwijs is aanvankelijk alleen weggelegd voor mannen. Aletta Jacobs (1854-1929) is de eerste vrouw in Nederland die universitair onderwijs volgt.

Naast het wetenschappelijk onderwijs is er een breed scala aan hoger beroepsonderwijs met een eigen oriëntatie op de arbeidsmarkt. Meerdere hbo-opleidingen zijn voortgekomen uit de beroepspraktijk. De oudste opleidingen zijn het kunstonderwijs en de lerarenopleidingen basisonderwijs.

Mammoetwet

In de 20e eeuw is het onderwijs meer en meer gericht op de persoonlijke ontwikkeling van het kind. Ongeacht de achtergrond moet ieder kind dezelfde mogelijkheden tot ontplooiing krijgen. In praktijk komt dat er toch nog op neer dat kinderen van ouders met een lage of geen opleiding naar lager of middelbaar (beroeps)onderwijs gaan, terwijl kinderen uit een geschoold gezin een opleiding aan de hbs of gymnasium volgen.

Dit verandert enigszins als in 1968 de Mammoetwet wordt aangenomen. Met deze wet wordt de mulo en de hbs afgeschaft en daarvoor in de plaats komen het lager beroepsonderwijs (lbo), middelbaar algemeen beroepsonderwijs (mavo), hoger algemeen voortgezet onderwijs (havo) en voorbereidend wetenschappelijk onderwijs (vwo: atheneum en gymnasium). Om de gang van het lager onderwijs naar middelbaar onderwijs makkelijker te laten verlopen , voert men de brugklas in. Pas in de brugklas moet de leerling kiezen voor een opleiding. De bedoeling is dat kinderen dan makkelijker doorstromen van bijvoorbeeld mavo naar havo of havo naar vwo. Later worden lbo en mavo vervangen door vmbo.

Cito-toets

Vanaf 1966 nemen de meeste lagere scholen een Cito-toets af. Deze toets is een indicatie voor welke vervolgopleiding de leerling het meest geschikt is. Toch blijkt dat kinderen van ouders die een lage opleiding hebben gevolgd, ongeacht de score op de toets, vaker een lager schooladvies krijgen dan kinderen van gestudeerde ouders.
In de loop der jaren zijn de omgangsvormen tussen leraar en leerling drastisch veranderd. Strengheid en lijfstraffen zijn vervangen door praten en strafwerk. Vanaf de jaren 60 zijn er leraren en leraressen die liever bij de voornaam willen worden aangesproken dan met juf of meester. Het heeft de leerlingen mondiger gemaakt, maar heeft er ook voor gezorgd dat kinderen minder gedisciplineerd zijn en soms wars zijn van autoriteiten.

Dynamische maatschappij

Tegenwoordig zijn pen en papier vervangen door computer en tablet. Het is een bewijs voor de niet aflatende veranderingen die ook in de toekomst moeten worden ingevoerd om kinderen en jongvolwassenen af te leveren voor een dynamische maatschappij.

Problemen door Wet werk en zekerheid

Momenteel kampt Nederland met een lerarentekort, dat wordt verergerd door problemen door de de Wet werk en zekerheid (Wwz). Invalleerkrachten mogen daardoor maar een paar keer worden ingezet voordat hen een vaste baan moet worden aangeboden. Daar is echter geen geld voor en er is ook niet steeds werk, waardoor scholen grote moeite hebben om invalmeesters en -juffen in te zetten. Het gevolg is dat klassen regelmatig naar huis gestuurd worden of dat er klassen worden samengevoegd, wat het niveau van het onderwijs op zijn zachtst gezegd niet ten goede komt.

(Bron: pofi-leren.nl, onderwijsgeschiedenis.nl, onderwijs-door-de-eeuwen-heen.com, ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Wikipedia, ANP.)

Meer beelden van vroeger zien? Neem eens een kijkje in het online archief van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid.

Geef een reactie